|
LEERDOEL ROMEINEN
JE KUNT HERKENNEN WAT BIJ DE ROMEINEN HOORT.
b. (politiek:) Hoe werd de macht verdeeld?
Dit veranderde in de loop van de
tijd. Hiervoor moet je eerst weten wat het verschil is tussen monarchie,
aristocratie en democratie:
- Monarchie: als een koning of keizer de meeste macht heeft.
- Aristocratie: als een kleine groep door rijkdom of afkomst de
meeste macht heeft.
- Democratie: als het volk de meeste macht heeft.
Kijk nu op het schema
hieronder om te zien of er sprake was van monarchie, aristocratie of
democratie:
|
KONINGSTIJD
± 750 tot ±500 vC.
|
REPUBLIEK
± 500 tot ± 0
|
KEIZERRIJK
± 0 tot ± 500 nC.
|
|
1 koning
1 vorst die de meeste macht
heeft
senaat
(raad met
grootgrondbezit-ters van goede afkomst) geeft advies aan koning
volksvertegenwoordiging
(mannen met burgerrecht)
heeft weinig macht
|
géén koning meer!
het land is van ons allemaal
(res publica = republiek =
zaak van ons allemaal!)
2 consuls
voor 1 jaar gekozen uit de
senaat,
hebben samen met senaat de meeste
macht
senaat
regeert samen met consuls
volksvertegenwoordiging
regeert samen met senaat,
maar doet wat senatoren willen
|
1 keizer
1 vorst die boven de consuls
staat, heeft meeste macht heeft om burgeroorlog te voorkomen
2 consuls
doen wat keizer wil,
ze hebben geen macht meer
senaat
doet wat keizer wil
volksvertegenwoordiging
vergadert bijna niet meer,
doet wat keizer wil
|
Het antwoord is:
- Koningstijd:
monarchie, want de koning was het machtigst.
- Republiek:
aristocratie, want de consuls waren rijke mannen van goede afkomst uit de
senaat.
- Keizertijd:
monarchie, want de keizer was het machtigst.
- Je moet bij de tekstjes uit de 3 kolommen
kunnen zeggen of het om monarchie, aristocratie of democratie gaat.
- Je moet ook de koningstijd, de republiek of
de keizertijd aan de tekstjes kunnen herkennen.
|