LEERDOELEN HOOFDSTUK 3: ROMEINEN EN GRIEKEN

(klas 1)

 

 

LEERDOEL ROMEINEN

 

JE KUNT HERKENNEN WAT BIJ DE ROMEINEN HOORT.

Wat je daarvoor moet herkennen:

a. (economie:) Wat was er voor werk en hoe werd het verdeeld?

- Werk: was eigenlijk hetzelfde als bij Egypte: landbouw, handel, ambacht, dienstverlening.

- Verdeling: dit hing vooral af van je afkomst en je geslacht (man of vrouw):

- Afkomst: je afkomst bepaalde of je slaaf of vrije romein was:

Als je slaaf was:

Dan bepaalde je meester(-es) wat voor werk je deed. Het kon afschuwelijk zijn, zoals in de mijnen, de landbouw of als roeier op een schip. Maar het kon ook wel prettig zijn, zoals in de huishouding, als leraar of als architect.

Als je een vrije romein was:

Dan bepaalden je ouders het vaak:

Arme vrije romein deden vaak het werk van hun ouders en gingen bij hen in de leer.

Rijke vrije romein konden betere opleiding voor hun kinderen bepalen, dus kon je ook meer kiezen wat je wilde worden.

- Geslacht:

* voor jongens en meisjes waren er aparte ambachten.

* alleen jongens van rijke ouders konden een goede opleiding krijgen.

b. (politiek:) Hoe werd de macht verdeeld?

Dit veranderde in de loop van de tijd. Hiervoor moet je eerst weten wat het verschil is tussen monarchie, aristocratie en democratie:

- Monarchie: als een koning of keizer de meeste macht heeft.

- Aristocratie: als een kleine groep door rijkdom of afkomst de meeste macht heeft.

- Democratie: als het volk de meeste macht heeft.

Kijk nu op het schema hieronder om te zien of er sprake was van monarchie, aristocratie of democratie:

KONINGSTIJD

± 750 tot ±500 vC.

REPUBLIEK

± 500 tot ± 0

KEIZERRIJK

± 0 tot ± 500 nC.

1 koning

1 vorst die de meeste macht heeft

 

 

 

 

 

 

 

senaat

(raad met grootgrondbezit-ters van goede afkomst) geeft advies aan koning

 

volksvertegenwoordiging

(mannen met burgerrecht)

heeft weinig macht

géén koning meer!

het land is van ons allemaal

(res publica = republiek =

zaak van ons allemaal!)

 

2 consuls

voor 1 jaar gekozen uit de senaat,

 hebben samen met senaat de meeste macht

 

senaat

regeert samen met consuls

 

 

 

volksvertegenwoordiging

regeert samen met senaat,

maar doet wat senatoren willen

1 keizer

1 vorst die boven de consuls staat, heeft meeste macht heeft om burgeroorlog te voorkomen

 

2 consuls

doen wat keizer wil,

 ze hebben geen macht meer

 

 

senaat

doet wat keizer wil

 

 

 

volksvertegenwoordiging

vergadert bijna niet meer,

doet wat keizer wil

Het antwoord is:

- Koningstijd: monarchie, want de koning was het machtigst.

- Republiek: aristocratie, want de consuls waren rijke mannen van goede afkomst uit de senaat.

- Keizertijd: monarchie, want de keizer was het machtigst.

- Je moet bij de tekstjes uit de 3 kolommen kunnen zeggen of het om monarchie, aristocratie of democratie gaat.

- Je moet ook de koningstijd, de republiek of de keizertijd aan de tekstjes kunnen herkennen.

c. (levensbeschouwing:) Hoe dachten ze over levensvragen en geloof?

- In het Romeinse rijk woonden veel volken, dus waren er ook veel geloven. Je hoeft alleen het jodendom, het Romeinse geloof en het Christendom te herkennen. Hoe herken je ze?

- Jodendom: zie leerdoel jodendom!

- Romeinse geloof:

            - Ze hebben overal een god voor.

- Er is geen heilig boek waarin staat wat of hoe je moet geloven.

- De Romeinse goden gaan niet over goed en kwaad. Zolang je goed offert, is het goed.

- Mensen kunnen niet verlost worden. Je kunt je lot niet ontlopen.

            - Elke belangrijke god heeft in de steden eigen tempels.

- Christendom:

- Ze geloven in de God van de joden.

- Het verschil is dat volgens de christenen de verlosser (messias) al gekomen is. Dat is Jezus Christus, de zoon van God.

- De verlossing bestaat eruit dat elk mens na zijn dood weer in het paradijs kan komen (de hemel). God heeft met zijn zoon (Jezus Christus) laten zien dat hij mensen opnieuw levend kan maken.

- Om in de hemel te komen moet je God liefhebben met alles wat je hebt. En je moet je naaste liefhebben als jezelf. Christenen worden niet besneden, maar elke christen moet wel gedoopt worden. Hoe je precies moet leven om in de hemel te komen, is niet helemaal duidelijk. God beslist uiteindelijk. Belangrijk is dat je je nederig moet opstellen, beter arm dan rijk kunt zijn en dat je je moet richten op het geloof, niet op geld of bezit.

Mensen die niet in de hemel komen, gaan naar de hel.

- Christenen gebruiken de bijbel als heilig boek. De bijbel bestaat uit 2 delen:

            * Het Oude Testament (dat is het heilige boek van de joden, dus de Tenach).

* Het Nieuwe Testament (dat zijn de verhalen over Jezus en zijn goede boodschap).

- Christenen komen samen in kerken waar ze onder andere nieuwe christenen dopen, uit de bijbel lezen en het laatste avondmaal vieren.

d. (samenleven:) Hoe dachten ze over verschillen tussen mensen?

Hoe dachten ze over verschillen tussen mensen in hun eigen samenleving?

- De Romeinen deelden mensen in naar de mate van vrijheid en onafhankelijkheid. Er waren 4 soorten:

Beschermheer (patrónus): vrije rijke romein: - vrij, rijk, had burgerrechten, sommigen konden senator of zelfs consul worden, hij had als beschermeer een aantal beschermelingen onder zich en hij had veel slaven.

Beschermeling (cliënt): vrije eenvoudige romein: - vrij, had burgerrechten, sommigen verdienden best goed, anderen waren arm/werkloos, hij was beschermeling dus hij was afhankelijk van zijn beschermheer, hij had soms slaven als hij dat kon betalen.

Vrijgelatene: - vrij, maar hij had geen burgerrechten, sommigen verdienden best goed, anderen waren arm/werkloos, hij was beschermeling van zijn beschermheer (zijn oude eigenaar), hij had soms slaven als hij dat kon betalen.

Slaaf: - onvrij: eigendom van vrije romein, had geen burgerrechten, sommigen hadden zeer zwaar en vies werk, anderen licht en prettig werk.

Hoe dachten ze over andere samenlevingen?

- De Romeinen keken neer op volken die minder ontwikkeld of machtig waren. Die moesten doen wat de Romeinen wilden. Van de Grieken hadden ze veel overgenomen op het gebied van kunst en wetenschap. De Grieken werden daarom bewonderd.

e. (chronologie:) Wanneer heeft het Romeinse rijk bestaan?

Van ± 750 v.C. tot ± 500 n.C.

f. (chronologie:) Wanneer was de Koningstijd, Republiek en Keizertijd?

Koningstijd:       ± 750 v.C.          tot        ± 500 v.C.

Republiek:         ± 500 v.C.          tot        ± 0

Keizertijd:          ± 0                    tot        ± 500 n.C.

g. Hoe zag de wereld eruit?

- Aan veel dingen kon je zien dat het om een hoogontwikkelde cultuur ging.

- De Romeinen hadden de Griekse bouwstijlen overgenomen zoals op de afbeelding hieronder. Je hoeft alleen de Dorische, Ionische of Corinthische stijl te herkennen op afbeeldingen.

 - De Romeinen vonden koepels en bogen uit. Als je die ziet, weet je dat het gebouwd is door Romeinen of door volken van na die tijd.

 

 

OEFENINGEN

 

 

BIJ LES 2: HET ROMEINSE RIJK: MONARCHIE, ARISTOCRATIE OF DEMOCRATIE?

 

·  Leerdoel Romeinen: b. politiek oefenen met de powerpointpresentatie Romeins bestuur uit de les.

 

 

 

 

BIJ LES 5: VERSCHILLENDE SOORTEN ROMEINEN

 

·  Leerdoel Romeinen: d. samenleven oefenen met Overhoor-bestand romeinen_samenleven (klik op rechtermuisknop en kies 'doel opslaan als'). In het bestand staan tekstjes van verschillende Romeinen. Jij moet bedenken van welke Romein ze zijn. Kies uit:

- beschermheer

- beschermeling

- vrijgelatene

- slaaf.

Je kunt het overhoorprogramma het best op ‘meerkeuze’ zetten (zie de balk bovenaan in het overhoorprogramma).

·  Eerst het (gratis) programma Overhoor downloaden of uitleg erover.

 

 

 

 

BIJ LES 8: DE KLASSIEKE BOUWKUNST VAN DE GRIEKEN

 

·  Leerdoel Romeinen: g. Hoe zag de wereld eruit? oefenen met de powerpointpresentatie Griekse bouwstijlen uit de les.

 

naar de werkwijzer