LEERDOELEN HOOFDSTUK 3: ROMEINEN EN GRIEKEN
(klas 1)
|
LEERDOEL ROMEINEN JE KUNT HERKENNEN WAT BIJ DE ROMEINEN
HOORT. Wat
je daarvoor moet herkennen: a. (economie:) Wat was er voor werk
en hoe werd het verdeeld? - Werk: was eigenlijk hetzelfde als bij Egypte:
landbouw, handel, ambacht, dienstverlening. - Verdeling: dit hing vooral af van je afkomst
en je geslacht (man of vrouw): - Afkomst: je afkomst bepaalde of je slaaf of
vrije romein was:
- Geslacht: * voor jongens en meisjes waren er aparte ambachten. *
alleen jongens van rijke ouders konden een goede opleiding krijgen. b. (politiek:) Hoe werd de macht
verdeeld? Dit
veranderde in de loop van de tijd. Hiervoor moet je eerst weten wat het
verschil is tussen monarchie, aristocratie en democratie: - Monarchie:
als een koning of keizer de meeste macht heeft. - Aristocratie:
als een kleine groep door rijkdom of afkomst de meeste macht heeft. - Democratie:
als het volk de meeste macht heeft. Kijk
nu op het schema hieronder om te zien of er sprake was van monarchie,
aristocratie of democratie:
Het antwoord
is: - Koningstijd:
monarchie, want de koning was het machtigst. - Republiek:
aristocratie, want de consuls waren rijke mannen van goede afkomst uit de
senaat. - Keizertijd:
monarchie, want de keizer was het machtigst. - Je
moet bij de tekstjes uit de 3 kolommen kunnen zeggen of het om monarchie,
aristocratie of democratie gaat. - Je
moet ook de koningstijd, de republiek of de keizertijd aan de tekstjes kunnen
herkennen. c. (levensbeschouwing:) Hoe dachten
ze over levensvragen en geloof? - In
het Romeinse rijk woonden veel volken, dus waren er ook veel geloven. Je
hoeft alleen het jodendom, het Romeinse geloof en het Christendom
te herkennen. Hoe herken je ze? - Jodendom:
zie leerdoel jodendom! - Romeinse
geloof: - Ze hebben overal een god voor. - Er is geen heilig boek
waarin staat wat of hoe je moet geloven. - De Romeinse goden gaan niet
over goed en kwaad. Zolang je goed offert, is het goed. - Mensen kunnen niet verlost
worden. Je kunt je lot niet ontlopen. - Elke belangrijke god heeft in de
steden eigen tempels. - Christendom: - Ze
geloven in de God van de joden. -
Het verschil is dat volgens de christenen de verlosser (messias) al gekomen is. Dat is Jezus Christus, de zoon van God. - De
verlossing bestaat eruit dat elk mens na zijn dood weer in het paradijs kan
komen (de hemel). God heeft met zijn zoon (Jezus Christus) laten zien dat hij
mensen opnieuw levend kan maken. - Om
in de hemel te komen moet je God liefhebben met alles wat je hebt. En je moet
je naaste liefhebben als jezelf. Christenen worden niet besneden, maar elke
christen moet wel gedoopt worden. Hoe je precies moet leven om in de hemel te
komen, is niet helemaal duidelijk. God beslist uiteindelijk. Belangrijk is
dat je je nederig moet opstellen, beter arm dan rijk kunt zijn en dat je je
moet richten op het geloof, niet op geld of bezit. Mensen
die niet in de hemel komen, gaan naar de hel. -
Christenen gebruiken de bijbel als heilig boek. De bijbel bestaat uit 2
delen: * Het Oude Testament (dat is het
heilige boek van de joden, dus de Tenach). *
Het Nieuwe Testament (dat zijn de verhalen over Jezus en zijn goede
boodschap). -
Christenen komen samen in kerken waar ze onder andere nieuwe christenen
dopen, uit de bijbel lezen en het laatste avondmaal vieren. d. (samenleven:) Hoe dachten ze over
verschillen tussen mensen? Hoe dachten ze over verschillen
tussen mensen in hun eigen samenleving? - De
Romeinen deelden mensen in naar de mate van vrijheid en onafhankelijkheid. Er
waren 4 soorten: Beschermheer
(patrónus): vrije rijke romein: -
vrij, rijk, had burgerrechten, sommigen konden senator of zelfs consul
worden, hij had als beschermeer een aantal beschermelingen onder zich en hij
had veel slaven. Beschermeling
(cliënt): vrije eenvoudige romein: -
vrij, had burgerrechten, sommigen verdienden best goed, anderen waren
arm/werkloos, hij was beschermeling dus hij was afhankelijk van zijn
beschermheer, hij had soms slaven als hij dat kon betalen. Vrijgelatene: -
vrij, maar hij had geen burgerrechten, sommigen verdienden best goed, anderen
waren arm/werkloos, hij was beschermeling van zijn beschermheer (zijn oude
eigenaar), hij had soms slaven als hij dat kon betalen. Slaaf: -
onvrij: eigendom van vrije romein, had geen burgerrechten, sommigen hadden
zeer zwaar en vies werk, anderen licht en prettig werk. Hoe dachten ze over andere
samenlevingen? - De
Romeinen keken neer op volken die minder ontwikkeld of machtig waren. Die
moesten doen wat de Romeinen wilden. Van de Grieken hadden ze veel
overgenomen op het gebied van kunst en wetenschap. De Grieken werden daarom
bewonderd. e. (chronologie:) Wanneer heeft het
Romeinse rijk bestaan? Van
± 750 v.C. tot ± 500 n.C. f. (chronologie:) Wanneer was de
Koningstijd, Republiek en Keizertijd? Koningstijd: ± 750 v.C. tot ± 500
v.C. Republiek: ± 500 v.C. tot ± 0 Keizertijd: ± 0 tot ± 500 n.C. g. Hoe zag de wereld eruit? -
Aan veel dingen kon je zien dat het om een hoogontwikkelde cultuur ging. - De
Romeinen hadden de Griekse bouwstijlen overgenomen zoals op de afbeelding
hieronder. Je hoeft alleen de Dorische, Ionische of Corinthische stijl te
herkennen op afbeeldingen.
- De Romeinen vonden koepels en bogen uit.
Als je die ziet, weet je dat het gebouwd is door Romeinen of door volken van
na die tijd. |
OEFENINGEN
BIJ LES
2: HET ROMEINSE RIJK: MONARCHIE, ARISTOCRATIE OF DEMOCRATIE?
· Leerdoel Romeinen: b. politiek oefenen met de
powerpointpresentatie Romeins
bestuur uit de les.
BIJ
LES 5: VERSCHILLENDE SOORTEN ROMEINEN
· Leerdoel Romeinen: d. samenleven oefenen met Overhoor-bestand romeinen_samenleven (klik
op rechtermuisknop en kies 'doel opslaan als'). In het bestand staan tekstjes
van verschillende Romeinen. Jij moet bedenken van welke Romein ze zijn. Kies
uit:
- beschermheer
- beschermeling
- vrijgelatene
- slaaf.
Je kunt het overhoorprogramma het best op ‘meerkeuze’ zetten
(zie de balk bovenaan in het overhoorprogramma).
· Eerst het (gratis)
programma Overhoor downloaden of uitleg
erover.
BIJ LES
8: DE KLASSIEKE BOUWKUNST VAN DE GRIEKEN
· Leerdoel Romeinen: g. Hoe zag de wereld eruit?
oefenen met de powerpointpresentatie Griekse
bouwstijlen uit de les.