MOZES EN DE VLUCHT UIT EGYPTE
Op een dag in de lange geschiedenis van
het Egyptische Rijk, werd Ramses de Tweede Farao van Egypte. Niet lang na zijn
aantreden maakte hij zich zorgen over het grote aantal Joden dat in zijn land
woonde. Hij was bang dat daar oorlog van zou komen. “Op een dag zullen de Joden in opstand komen”, zei hij. Daarom liet
hij hen slavenarbeid doen en werden er strenge opzichters aangesteld. De Joden
moesten met grote keien sjouwen, en stenen maken van klei en stro om een stad
voor de farao te bouwen. De opzichters sloegen hen met zwepen. De Joden hadden
het echt heel zwaar. Maar zelfs toen was de koning nog bang. En daarom gaf hij
een bevel om alle pasgeboren jongetjes van dat volk te doden. De soldaten
moesten hen in de Nijl gooien.
Op een dag kreeg een Joodse vrouw een
zoontje. Ze verstopte hem onmiddellijk. Maar toen hij drie maanden oud was,
lukte dat gewoon niet meer. Ze maakte een mandje van riet en smeerde dat in met
pek. Zo zou het blijven drijven. Daarna legde ze de baby erin en liet het
mandje te water... Terwijl het ronddobberde, hield het zusje van de baby,
Mirjam, het vanaf de oever stiekem in de gaten. Tot haar verbazing kwam nèt de
dochter van de farao in de rivier baden. Plotseling zag die het mandje: “Breng dat eens hier”, beval ze haar
slavinnen. Zodra het mandje op de oever stond, knielde de prinses erbij neer en
zag ze de baby. “Ooh” riep ze uit, “dat is vast een kindje van de Joden!” Ze
pakte de baby op en knuffelde het jongetje innig.
Toen Mirjam dát zag, begreep ze dat de
prinses graag zélf een kindje had willen hebben. Een beetje verlegen kwam ze te
voorschijn en vroeg: “Zal ik een voedster
halen die het kindje te eten kan geven?” “Ja, graag!” antwoordde de prinses. En de slimme Mirjam ging gauw
haar moeder halen, zodat het kindje toch weer door zijn eigen moeder werd
verzorgd. “Zorg voor dit kind,” beval
de prinses haar, “Ik zal je er goed voor
betalen”. En de prinses noemde de baby Mozes,
dat betekent: ‘uit het water gehaald’. De moeder van Mozes zorgde voor hem tot
hij oud genoeg was om in het paleis te wonen. Daar werd hij door de prinses
verder opgevoed alsof het haar eigen zoon was.
Mozes groeide op een echte prins van
Egypte. Hij droeg mooie kleren, kreeg goed onderwijs en woonde in een
schitterend paleis. Maar nooit vergat hij dat hij toch eigenlijk een jood was.
En dat kon hij ook moeilijk vergeten, want overal om zich heen zag hij zijn
volk lijden. Mannen liepen met zware keien te sjouwen, en de vrouwen maakten
stenen van klei en stro. De kinderen liepen in vodden en werkelijk iedereen
werd geslagen. Hij vond het maar moeilijk om in twee werelden te leven. Aan de ene
kant leefde hij als een Egyptische prins; aan de andere kant treurde hij om
zijn familie...
Op een dag gebeurde er iets heel ergs:
tijdens een wandeling zag hij dat een opzichter een Jood met zijn zweep
afranselde. Mozes probeerde de man tegen te houden, maar de Egyptenaar bleef de
arme slaaf maar slaan. Toen werd Mozes zó verschrikkelijk kwaad dat hij de
opzichter neersloeg. De opzichter tuimelde op de grond en viel met zijn hoofd
precies op een rand. Hij was op slag dood... De slaaf om wie het was begonnen,
vluchtte snel weg. Mozes stond nu helemaal alleen. Snel groef hij een graf en
legde het lijk erin. Hij vulde het graf met zand en stampte het aan. In de hoop
dat niemand het had gezien, maakte hij dat hij wegkwam.... Maar al gauw hoorde de farao wat Mozes gedaan
had. Hij gaf het bevel dat Mozes de doodstraf moest krijgen. Het enige wat
Mozes doen kon, was vluchten. Hij liet al zijn mooie kleren en rijkdom achter
en trok de droge en dorre woestijn in. Hij dacht dat hij Egypte nooit meer
terug zou zien...
Veertig jaren gingen voorbij. Maar God
was de arme Joden niet vergeten! En Mozes ook niet! Op een dag beklom Mozes een
berg om een verdwaald schaap te zoeken. Ineens zag hij een struik die in brand
stond. Nou kwam dat wel vaker voor omdat het er zo droog was, maar dit zag er
toch heel anders uit. De bladeren die aan de struik zaten, verschroeiden
helemaal niet. En het licht was zo fel dat hij met zijn hand zijn ogen moest
beschermen. Toen hoorde hij ineens een stem: “MOZES, MOZES!” Hij keek om zich heen,
maar zag niemand. Hij werd er bang van. “DOE JE SANDALEN UIT, WANT JE STAAT OP
HEILIGE GROND” zei de stem. Mozes trok zijn sandalen uit. Hoewel hij erg bang
was, wilde hij toch niet vluchten. “IK BEN DE GOD VAN JE VOOROUDERS, DE GOD VAN
ABRAHAM, ISAÄK EN JACOB. IK HEB DE ELLENDE VAN JOUW VOLK IN EGYPTE GEZIEN. EN
NU STUUR IK JOU NAAR DE FARAO TERUG OM HEN TE REDDEN”, hoorde hij de stem
zeggen. “IK HEB JOU UITGEKOZEN OM JE VOLK NAAR HET LAND TE BRENGEN DAT IK HUN
HEB BELOOFD, EEN LAND VOL MELK EN HONING.”... Mozes hield zijn hand voor zijn
ogen. Hij wist niet wat hij moest zeggen. Waarom verscheen God aan hèm, Mozes
de mislukkeling, Mozes de móórdenaar? En waarom zouden de Joden hem geloven als
hij hun dit vertelde? Sidderend boog Mozes heel diep. Hij durfde de vraag bijna
niet te stellen. “Maar als ze me nou niet
geloven?”, zei hij. Toen beval God dat Mozes zijn staf op de grond moest
gooien. Onmiddellijk veranderde die in een slang. “PAK HEM BIJ ZIJN STAART”,
zei God. Mozes deed het en de kronkelende slang veranderde weer in een houten
staf. En God liet hem nog méér wonderen zien die Mozes kon doen om de Joden en
de farao te overtuigen.
Nadat Mozes de brandende braamstruik
had gezien, ging hij op weg naar Egypte. Onderweg zag hij zijn broer Aäron al.
Hij rende naar hem toe en vertelde hem over de brandende struik en de stem van
God, over de wonderen en de belofte van God dat Hij Zijn volk zou redden. Aäron
snapte het, want God had ondertussen ook met Aäron gesproken. Huilend vielen de
twee oude mannen elkaar in de armen. “En
Mirjam” vroeg Mozes? “Mirjam leeft
óók nog! Iedere dag bidt ze dat je ooit nog terugkomt.” Toen de twee mannen
in Egypte aankwamen, wisten de oudere Joden niet wat ze zagen: “Mozes!”, riepen ze. Ze omhelsden hem en
stelden hem allerlei vragen. Sommigen raakten hem even aan, om er zeker van te
zijn dat het geen droom was. “Ik ben geen
droom”, zei hij. “Ik kom in de naam
van de Heer, de God van Israël, om ons volk naar de vrijheid te leiden.”
Toen gingen ze naar de farao en vroegen hem of de Joden de woestijn in mochten
trekken om hun God te eren. Maar de farao werd verschrikkelijk boos. “Wat moet ik met jullie God?” riep hij. “Jullie zijn mijn slaven!” Hij was zo
boos dat hij de Joden voortaan geen stro meer gaf. Dat moesten ze zelf maar bij
elkaar zoeken. En toch moesten ze net zoveel stenen maken als anders. Zó zouden
wel leren. Maar Mozes kreeg de schuld. “Kijk
nou wat je gedaan hebt, Mozes!” mopperden ze. “Nu moeten we nog harder werken!”
Die nacht liep Mozes helemaal alleen
buiten. Hij maakte zich grote zorgen. “Het
is allemaal veel erger geworden”, zei hij tegen God. Maar God zei: “TWIJFEL
NIET, IK HEB BELOOFD DAT IK MIJN VOLK ZOU REDDEN EN ZAL IK DOEN. GA TERUG NAAR
DE FARAO EN VERTEL HEM WAT IK VAN PLAN BEN.” Maar de farao weigerde opnieuw.
Vervolgens stuurde God maar liefst tien plagen om hem op andere gedachten te
brengen. Eerst veranderde hij al het water in bloed, daarna stuurde hij plagen.
Eerst allemaal kikkers, toen muggen, steekvliegen en sprinkhanen. Hij liet het
vee sterven, zorgde ervoor dat alle Egyptenaren zweren kregen en liet tenslotte
de oudste zonen van alle Egyptische families sterven. En tóen pas, midden in de
nacht, liet de farao Mozes en Aäron halen. “Ga
weg met jullie volk”, zei hij. “Ga
alsjeblieft allemaal weg en kom nooit meer terug. Ga weg en bid tot jullie God
uit mijn naam.” En dat deden ze! Alle Joden zongen om de heer te prijzen,
en ze juichden toen ze langs het bouwterrein liepen waar de opzichters hen
altijd met zwepen hadden geslagen. Bij de gedachte aan al die jaren dat ze
slaaf waren geweest, huilden ze. Eindelijk leken ze vrij!
Zodra de farao echter merkte dat de
Joden echt vertrokken, werd hij weer verschrikkelijk boos. “We hadden hen nooit moeten laten gaan!”
Met zijn scepter in de hand rende hij door het paleis. “Ik wil mijn slaven terug. Ik wil mijn slaven terug!! Ik wil dat ze mijn
stad afbouwen! We moeten ze gaan halen!” De generaals verzamelden het leger
en trokken er op uit met zeshonderd strijdwagens. De farao zelf reed voorop, zo
snel als hij kon. De Joden hadden hun kamp inmiddels opgeslagen aan de oever
van de Rode Zee. Maar toen ze wakker werden zagen ze in de verte de
strijdwagens aan komen stormen. Ze werden bang en riepen: “De Egyptenaren! Het leger komt er aan!” Gauw gingen ze naar Mozes.
“Kijk!” riepen ze. “Het Egyptische leger wil ons aanvallen!”
Ze zaten in de val; aan de ene kant waren de Egyptenaren, aan de andere kant
was de zee. Maar Mozes bleef heel rustig. “Wees
maar niet bang. God zal jullie redden. Die Egyptenaren zullen jullie nooit meer
zien, God zal hen verslaan.” Een beetje twijfelend keken ze hem aan, maar
Mozes hief zijn hand op. “Blijf maar kalm”
zei hij. Toen zei God dat Mozes zijn hand naar het water moest uitstrekken. “DE
JODEN ZULLEN OVER DROOG LAND LOPEN,” zei God. “EN DE EGYPTENAREN ZULLEN
STERVEN.” Het was nog donker toen opeens de wind begon te loeien. Mozes strekte
zijn hand uit over het water. Ondertussen kwamen de Egyptenaren gevaarlijk
dichter bij! Maar plotseling wakkerde de wind aan en blies het water uit
elkaar. Er kwam een pad door de zee tussen twee hoge muren van water. “Snel!” riep Mozes, en de Joden liepen
over het droge land naar de overkant. Iedereen, mannnen, vrouwen en kinderen,
liep over het pad dat God voor hen had gemaakt. En ondertussen blééf de wind
maar loeien. Pas toen het licht werd, zagen de Egyptenaren wat er gebeurde. De
farao riep dat ze nog hárder moesten rijden. “We moeten hen gevangen nemen!” riep hij. Ze reden nog harder en
kwamen óók op het pad door het water. ‘Maar Mozes hief zijn hand op... en de muren
van water stortten in. De strijdwagens kraakten en vielen in stukken uiteen.
Even later was de zee weer glad. Alle Egyptenaren waren in de golven
verdronken. De Joden gingen om Mozes heen staan en dankten God dat Hij hen had
gered...
einde.