ABRAHAM EN SARA
God was erg gesteld op een bepaalde
man. Hij heette Abraham en woonde in de stad Haran, in Mesopotamië. Abraham had
alle reden om gelukkig te zijn: hij had een lieve vrouw, die Sara heette, hij had
een mooi huis, hij was rijk en hij had veel bedienden. Maar er was één ding wat
hij niet had: Abraham en Sara verlangden erg naar een kind. Toen Sara nog jong
was, had zij zichzelf vaak in slaap gehuild omdat ze geen kind had. Andere
mensen hadden wel kinderen en ze zag hoe gelukkig die waren. ‘Wat moet er gebeuren als wij er niet meer
zijn?’ vroeg ze soms. ‘Wij hebben
geen kind dat jouw naam draagt’.
Toen Abraham al 75 jaar was geworden en
eens zat te denken over zijn leven, sprak God hem plotseling aan. ‘Ik ben de Heer, je God’, hoorde hij.
Onmiddellijk sprong Abraham op, want hij was bang geworden. Wie was dat? In
Haran aanbaden de mensen veel goden. Overal stonden altaren en kleine tempels.
Maar dit was de stem van de Heer, zíjn God....
‘Abraham,
je moet weg uit dit land’, zei zijn God. ‘Weggaan?’ vroeg hij. ‘Je moet
alles achterlaten: je volk en je huis. Ga naar het land dat ik je zal wijzen.
Ik zal je tot een machtig volk maken en jullie zegenen.’ De stem van God
klonk heel duidelijk. Abraham wist niet hoe snel hij het zijn vrouw Sara moest
vertellen. ‘Sara! Sara! We moeten gaan!
We moeten weg uit Haran! We moeten alles in orde maken voor een reis.’ ‘Wat is dit voor waanzin?’ vroeg Sara. ‘Moeten we ons land verlaten, ons thuis, onze
familie?’ ‘Ja,’ zie Abraham, ‘de Heer wil het zo’. Even keken ze
elkaar aan. Toen begrepen ze elkaar. Sara hield al meer dan vijftig jaar van
hem, en ze zag dat zijn ogen straalden. Ze wist zeker dat God met Abraham had
gesproken en dat ze op reis moesten gaan.
Toen Abraham en Sara eenmaal op reis
waren, sprak de Heer weer met hem. ‘Kijk
naar het noorden en het zuiden, naar het oosten en westen. Alles wat je ziet
zal ik je geven. Het hele gebied tussen de Nijl in Egypte en de Eufraat in
Mesopotamië zal van jou en je nakomelingen zijn.’ Abraham trok door het
land en uiteindelijk zette hij zijn tenten op bij de eikenbomen van Mamre. Daar
bleven Abraham en Sara een paar jaar wonen.
Toen de Heer op een dag opnieuw
verscheen, zei Abraham: ‘Wat u mij ook
geeft, het heeft niet veel zin. Ik heb namelijk geen zoon aan wie ik mijn bezit
kan doorgeven als ik er niet meer ben. Mijn enige erfgenaam is mijn knecht.’
God leidde Abraham uit zijn tent en zei: ‘Zie
je de sterren? Kun je ze tellen?’ Abraham schudde zijn hoofd. ‘Als je ze kon
tellen zou je weten hoe ontzettend veel nakomelingen ik je zal geven.’
Abraham geloofde God toen Hij dat zei en daarom beloonde God hem. Hij vond
Abraham een goed mens.
De jaren gingen voorbij en nog steeds
hadden Abraham en Sara geen zoon. Sara maakte zich zorgen. Waar was God? Hij
had hun een zoon beloofd... Op een dag zag ze de slavin Hagar, die voor
Abrahams tent wat kleren waste. Ineens kreeg ze een idee. ‘God heeft ons dan wel geen kinderen gegeven,’ zei ze tegen Abraham.
‘Maar Hagar is nog jong. Misschien kan
zij je een zoon geven.’ Eerst voelde Abraham er weinig voor, maar Sara
hield vol. ‘Hagar is mijn slavin, ik kan
dus met haar doen wat ik wil. En ik wil dat ze in mijn plaats een kind krijgt.’
Na een tijdje had ze Abraham omgepraat. Hij trouwde met Hagar en na een tijdje
merkte Hagar dat ze een kind zou krijgen. Eerst was Sara blij, maar toen
gebeurde er iets vervelends. Hagar schepte op dat zij wèl een kind van Abraham
zou krijgen en Sara niet. Sara werd razend en stormde Abrahams tent binnen. ‘Het is allemaal jouw schuld! Hagar krijgt
een kind van jou en nu bespot ze me!’ ‘Maar
Sara,’ zei Abraham, ‘Hagar is jouw
slavin, je moet maar met haar doen wat jou het beste lijkt.’ Toen bedreigde
Sara Hagar. De jonge vrouw werd zo bang dat ze de woestijn in vluchtte. De zon
brandde fel op haar. Na een paar uur viel Hagar uitgeput neer en toen hoorde ze
een stem: ‘Hagar, waar ga je naartoe?’
‘Ik ben weggelopen van mijn meesteres’,
snikte ze. Toen Hagar opkeek, zag ze een engel die zo vriendelijk was dat ze
niet meer bang was. Snel veegde ze haar tranen af. ‘Je moet teruggaan naar je meesteres,’ zei de engel. ‘Het zal moeilijk zijn, maar toch moet je
haar gehoorzamen. Straks krijg je een zoon. Je moet hem Ismaël noemen, dat
betekent: ‘God hoort mij’. Want God heeft je gehoord toen je bang en verdrietig
was. Ismaël zal veel kinderen krijgen en zijn volk zal machtig zijn.’ Hagar
ging terug naar Sara en Abraham en na een tijdje kreeg ze een zoon. Abraham
noemde hem Ismaël, en hij was heel trots op hem. Maar Ismaël was niet het kind
dat God hem had beloofd.
Toen Abraham 99 jaar oud was, verscheen
God weer aan hem. Hij zei: ‘Ik zal met
jou en je nakomelingen een verbond aangaan. Jullie moeten mijn wil volgen en
geen onrecht doen. In ruil daarvoor zal ik jullie veel land, nakomelingen en
geluk schenken. Besnijd alle mannen als teken van het verbond tussen jullie en
mij. En verder zal ik je vrouw vruchtbaar maken en haar een zoon geven.’
Abraham moest lachen: ‘Krijgt Sara nog op
haar negentigste een kind? Waarom geldt het verbond niet gewoon voor de zoon
die ik al heb, Ismaël?‘ Maar God zei: ‘Mijn
verbond geldt alleen voor alleen voor de zoon die Sara je volgend jaar tegen
deze tijd zal schenken. Noem hem Isaäk, dat betekent ‘hij lacht’ ’. Nog op
de dezelfde dag werden alle mannen besneden als teken van het verbond tussen
Abraham en zijn volk.
God was goed voor Sara en Hij deed
precies wat Hij beloofd had: Sara kreeg een zoon die Isaäk werd genoemd.
Abraham en Sara hielden veel van de baby. Daarom besloot Abraham een groot
feest te geven. Maar toen Sara zag dat Ismaël met Isaäk speelde, werd ze
jaloers. ‘Stuur die slavin en haar zoon
weg!’ zei ze.
‘Ik
wil niet dat hij bij Isaäk in de buurt komt.’ En ze beval Hagar en Ismaël
te vertrekken. Abraham werd verdrietig, want hij hield óók van Ismaël. Maar God
zei tegen Abraham dat hij Hagar en haar zoon moest laten gaan. Hij beloofde dat
hij hen zou beschermen. De ochtend na het feest, toen de gasten nog sliepen,
bracht Abraham Hagar en Ismaël naar de rand van de woestijn en gaf hun eten en
water voor onderweg. Nadat Abraham zijn zoon had omhelsd, draaide hij zich om
en liep langzaam terug, zonder om te kijken. Dagenlang liep Hagar door de
woestijn. Ze wist dat ze deze keer niet meer terug kon. Het water raakte op en
ze werd bang dat Ismaël zou sterven, want hij had erge dorst. Ze barstten
allebei in huilen uit. Op dat moment riep een engel uit de hemel: ‘Wees maar niet bang, Hagar! De Heer heeft je
zoon horen huilen. Sta op en neem hem bij de hand, want hij wordt de stamvader
van een machtig volk.’
Langzaam stond Hagar op en veegde haar
tranen af. En toen zag ze dat er vlakbij een bron was. Onmiddellijk gaf ze
Ismaël te drinken. De jongen dronk tot hij genoeg had, en toen konden ze verder
lopen tot ze ergens kwamen waar het veilig was. Zo groeide Ismaël in de
woestijn op. God was met hem. Ismaël werd een sterke man die zich thuis voelde
in de woestijn en die voor niemand bang was. Later vond zijn moeder in Egypte
een vrouw voor hem, want zelf was ze ook Egyptische. Ismaël kreeg veel
kinderen. Het gebeurde zoals God had beloofd: zijn volk werd machtig.
Ondertussen groeide Isaäk bij Abraham
en Sara op, maar op een dag moest Abraham iets heel moeilijks doen. God stelde
Abraham op de proef. ‘Abraham!’
Abraham herkende de stem van God meteen. Hij moest er wel naar luisteren. ‘Hier ben ik’, zei Abraham. ‘Neem je enige zoon Isaäk’, zei God, ‘en ga naar het land Moria. Daar zul je hem
offeren.’ Zijn zoon offeren? Moest hij zijn geliefde zoon op een altaar
vastbinden en hem doden? Abraham werd vreselijk bang. Alles draaide voor zijn
ogen, hij was helemaal in de war.
Maar hij had duidelijk gehoord wat hij
moest doen. God had het hem zèlf bevolen. Dus gehoorzaamde Abraham. Heel vroeg
in de ochtend laadde hij brandhout op de ezel. Hij nam twee knechten en Isaäk
mee en ging naar het land Moria. Abraham vertelde dat ze daar een offer gingen
brengen, maar hij zei er niet bij wat het offer was. Op de derde dag zagen ze
de bergen van Moria.
‘Hier
is het’, zei Abraham. ‘Blijven jullie
bij de ezel,’ zei hij tegen de knechten. ‘Isaäk en ik gaan alleen verder. We zullen God eren en dan...’ Even
zweeg hij, toen keek hij van de knechten naar zijn zoon die naar hem lachte. ‘eh.. dan komen we terug’, ging Abraham verder.
Hij wist niet hoe dit verder moest. Hoewel hij erg in de war was, vertrouwde
hij op god. Isaäk liet hij het brandhout dragen, zelf nam hij een mes en een
brandende fakkel mee. Terwijl ze verder liepen, keek Isaäk naar zijn vader op.
‘Vader?,’ vroeg hij. ‘Ja, mijn zoon.’ ‘We hebben vuur en brandhout, maar waar is het lam dat we gaan offeren?’
‘God zorgt voor het lam, mijn zoon’,
antwoordde Abraham. Zwijgend keek hij naar de berg, toen liepen ze weer verder.
Toen ze boven waren gekomen, bouwden ze een altaar van stenen en legden er het
hout op. Ze zeiden niets tegen elkaar: Abraham ging zitten en nadat hij een
tijdje naar het mes had gekeken, zei hij tegen zijn zoon: ‘Isaäk, mijn zoon...!’ Zijn stem beefde toen hij dat zei, en hij
keek zo bedroefd dat Isaäk begreep wat God bevolen had. Abraham bond Isaäk op
het altaar vast. Doodstil bleef de jongen liggen. Toen keek Abraham om zich
heen. De lucht was prachtig blauw, er was geen wolkje te zien. Diep beneden hen
zag hij de knechten, die voor de ezel zorgden. Abraham en Isaäk waren helemaal
alleen op de berg. Abraham durfde Isaäk niet aan te kijken toen hij het mes
omhoog hield, klaar om toe te slaan. Opeens was daar weer die stem: ‘Abraham, Abraham!’ Met een ruk draaide
Abraham zich om. De stem van de engel van de Heer galmde in het rond. ‘Abraham!’ ‘Hier ben ik’, zei Abraham. De stem klonk luid en duidelijk toen hij
beval: ‘Doe de jongen geen kwaad, want ik
weet nu dat je God vreest.’ Abraham viel op zijn knieën en het mes viel met
veel lawaai op de stenen naast het altaar. ‘Je
was bereid je enige zoon aan Mij te offeren’, zei de stem. Toen Abraham
opkeek, zag hij een ram die met de horens vastzat in een struik. Dus offerde
hij de ram in plaats van zijn zoon. Abraham noemde die plek: ‘de Heer zal gezien worden’. Daarna sprak
de engel van God weer tot Abraham: ‘Dit
is wat de Heer tegen je zegt: ‘Omdat je bereid was je enige zoon te offeren,
zal Ik je zegenen. Je zult zoveel nakomelingen krijgen als er sterren aan de
hemel staan en er zandkorrels om het strand zijn, en door hen zullen alle
volken gezegend zijn omdat jij Mij hebt gehoorzaamd’. En Abraham keerde
terug naar huis.

einde