filia = dochter puella = meisje atrium = atrium avus = opa domus = huis hortus = tuin tablinum = werkvertrek mater, matres = moeder pater, patres = vader senex, senes = oude man ambulare = wandelen circumspectare = rondkijken cogitare = denken intrare = binnengaan rogare = vragen salutare = groeten, begroeten stare = staan vocare = roepen sedere = zitten videre = zien quaerere = zoeken dormire = slapen nescire = niet weten esse = zijn diu = lang, lange tijd ecce = kijk et = en in atrio = in het atrium non = niet per = door ... heen per domum = door het huis (heen) semper = altijd ubi = waar ancilla = slavin aqua = water mensa = tafel cibus = het eten filius = zoon gemini = tweeling puer = jongen servus = slaaf triclinium = eetkamer arbor, arbores = boom iratus = boos laetus = blij clamare = roepen, schreeuwen exspectare = wachten op festinare = zich haasten laborare = werken parare = klaarmaken, voorbereiden portare = dragen spectare = kijken naar respondere = antwoorden ridere = lachen timere = bang zijn voor, vrezen dicere = zeggen discedere (e/ex) = weggaan (uit) ludere = spelen ponere = neerzetten audire = horen, luisteren invenire = vinden venire = komen adesse = aanwezig zijn adhuc = nog (steeds) ave= dag, gegroet cur = waarom e/ex = uit e triclinio = uit de eetkamer nunc = nu, op dit moment sed = maar statim = onmiddellijk, meteen subito = plotseling unus = 1 duo = 2 tres = 3 quattuor = 4 quinque = 5 sex = 6 septem = 7 octo = 8 novem = 9 decem = 10 viginti = 20 centum = 100 mille = 1000 primus = eerste secundus = tweede tertius = derde quartus = vierde quintus = vijfde sextus = zesde septimus = zevende octavus = achtste nonus = negende decimus = tiende femina = vrouw stola = stola taberna= winkel toga = toga via = straat, weg faber = werkman gladius = zwaard grammaticus = leraar murus = muur mercator, mercatores = koopman alius = ander contentus = tevreden latus = breed magnus = groot multus = veel novus = nieuw optimus = zeer goed, best paratus = klaar, gereed, bereid parvus = klein pulcher = mooi delectare = bevallen, in de smaak vallen habere = hebben contendere ad = gaan naar, op weg zijn naar currere = rennen emere = kopen surgere = opstaan facere = maken, doen ad = naar, bij, tot ad grammaticum = naar de leraar ante = voor ante tabernam = voor de winkel domo = van huis, het huis uit ego = ik iam = al ibi = daar libenter = graag quod = omdat quoque = ook tu = jij, u fabula = verhaal lingua = taal littera = letter discipulus = leerling equus = paard homo, homines = mens, man miles, milites = soldaat nox, noctes = nacht urbs, urbes = stad altus = hoog ceteri = de overigen pauci = weinig, een paar tacitus = stil, zwijgend tardus = laat omnes = allen diligens = goed, zorgvuldig laudare = prijzen narrare = vertellen oppugnare = belegeren ardere = branden, in brand staan docere = onderwijzen ascendere = beklimmen, omhoog gaan descendere = afdalen, naar beneden gaan discere = leren scribere = schrijven vincere = overwinnen custodire = bewaken scire = weten, kennen incipere = beginnen aut = of bene = goed ita = zo iterum = weer, opnieuw nihil = niets nos = wij quid = wat quomodo = hoe tandem = eindelijk valde = zeer vos = jullie cena = maaltijd amicus = vriend dominus = meester, heer des huizes vinum = wijn canis, canes = hond caput, capita = hoofd senator, senatores = senator sermo, sermones = gesprek romanus = romeins, romein timidus = bang exclamare = uitroepen cavere = oppassen voor iubere = bevelen manere = blijven pendere = hangen tacere = zwijgen terrere = bang maken accedere ad = gaan naar bibere = drinken consistere = gaan staan, blijven staan desinere = ophouden repetere = herhalen advenire = aankomen capere = pakken, nemen cupere = willen, verlangen posse = kunnen age = kom, schiet op autem = echter, maar celeriter = snel frustra = tevergeefs ipse, ipsa, ipsum = zelf itavero = ja zeker post = na post cenam = na het eten prope = (dicht) bij prope urbem = dicht bij de stad quis = wie saepe = vaak supra = boven supra caput = boven het hoofd tam = zo insula = eiland terra = grond, aarde aedificium = gebouw forum = forum, marktplein clamor, clamores = geschreeuw navis, naves = schip rex, reges = koning sol, solis = zon anxius = angstig, bezorgd longus = lang miser = ongelukkig mortuus = dood tutus = veilig fortis = sterk, dapper gravis = zwaar ingens = enorm aedificare = bouwen servare = redden temptare = proberen vetare = verbieden debere = moeten retinere = vasthouden, tegenhouden tenere = vasthouden finire = beeindigen de = van ... af de muro = van de muur af deinde = vervolgens domi = thuis iam non = niet meer igitur = dus inter = tussen inter homines = tussen de mensen interea = intussen mox = spoedig nuper = zojuist, kortgeleden postremo = tenslotte postridie = de volgende dag primo = eerst sicut = zoals tunc = toen, op dat moment pecunia = geld arma = wapens deus = god locus = plaats oraculum = orakel signum = teken vir = man frater, fratres = broer virtus, virtutes = dapperheid aptus = geschikt medius = middelste, midden notus = bekend solus = alleen humilis = laag omnia = alles, alle incitare = aansporen necare = doden orare = bidden tot pugnare = vechten apparere = verschijnen agere = doen claudere = sluiten gerere = dragen intellegere = begrijpen mittere = sturen, zenden revenire = terugkomen inquit = hij zegt, hij zei antea = eerder de = vanaf, over hodie = vandaag ideo = daarom nonne = toch wel? num = toch niet? numquam = nooit olim = eens, vroeger -que = en quot = hoeveel tantum = slechts trans = over trans murum = over de muur bestia = beest hora = uur pugna = gevecht ludus = spel, voorstelling nuntius = omroeper, bode spectaculum = schouwspel, voorstelling civis, cives = burger corpus, corpora = lichaam mors, mortes = dood nomen, nomina = naam sanguis, sanguines = bloed spectator, spectatores = toeschouwer cuncti = alle saevus = woest totus = geheel brevis = kort celer = snel facilis = gemakkelijk audax = (over)moedig ferox = woest celebrare = vieren nuntiare = aankondigen, berichten vulnerare = verwonden complere = vullen addere = toevoegen cadere = vallen vendere = verkopen vertere = (om)draaien, wenden abire = weggaan convenire = bijeenkomen fugere = vluchten interficere = doden domum = naar huis eos = hen eum = hem per + acc = door ... heen, gedurende postquam + prf = nadat se = zich super + acc = boven, over ... heen undique = van alle kanten poeta = dichter turba = massa, menigte auxilium = hulp populus = volk ars, artes = kunst, vaardigheid carmen, carmina = lied, gedicht custos, custodes = bewaker imperator, imperatores = bevelhebber, keizer pes, pedes = voet alii ... alii = sommige ... andere meus = mijn nonnulli = sommige appropinquare = naderen dare = geven recitare = voordragen iacere = liggen praebere = bieden, verschaffen accidere = gebeuren colligere = verzamelen evadere = ontsnappen gratias agere = dank betuigen, bedanken ostendere = laten zien, tonen promittere = beloven proponere = voorstellen reddere = teruggeven reducere = terugbrengen tradere = overhandigen trahere = trekken vivere = leven deicere = naar beneden gooien iacere = werpen, gooien rapere = roven, meenemen aliquid = iets aliquis = iemand circum + acc = rondom nam = want, immers -ne = ? nusquam = nergens sine + abl = zonder ubique = overal epistula = brief fortuna = geluk, toeval matrona = dame, vrouw des huizes oppidum = vestingstad, stad verbum = woord iter, itineres = reis iuvenis, iuvenes = (jonge) man mare, maria = zee tempestas, tempestates = storm certus = zeker intentus = aandachtig noster = ons periculosus = gevaarlijk singuli = een voor een tuus = jouw similis = gelijk (aan) dives = rijk, welgesteld vehemens = hevig, heftig adiuvare = helpen possidere = bezitten cognoscere = te weten komen, leren kennen cognovi prf = weten, kennen ducere = leiden, brengen pervenire = aankomen aspicere = kijken naar, aankijken conspicere = zien traicere = oversteken ambo = beide dum + prs = terwijl enim = want, immers ergo = dus et = en, ook fortasse = misschien huc = hierheen nondum = nog niet postea = later quamquam = hoewel si = als, indien tamen = toch unde = waarvandaan amica = vriendin memoria = herinnering donum = geschenk initium = begin mandatum = opdracht numerus = aantal officium = plicht, taak sacrificium = offer agmen, agmina = stoet hospes, hospites = gast imago, imagines = afbeelding, beeld multitudo, multitudines = menigte parens, parentes = ouder parentes = ouders soror, sorores = zus uxor, uxores = echtgenote vestis, vestes = kleding(stuk) virgo, virgines = meisje, jonge vrouw bonus = goed difficilis = moeilijk utilis = nuttig desiderare = wensen invitare = uitnodigen mandare = opdragen sacrificare = offeren monere = adviseren, waarschuwen abducere = wegleiden canere = zingen componere = samenstellen, bijeenzetten deducere = begeleiden procedere = voortgaan protegere = beschermen regere = besturen, regelen relinquere = verlaten, achterlaten tollere = optillen, opheffen ire = gaan accipere = ontvangen reficere = herstellen modo = zojuist sic = zo diligentia = zorgvuldigheid flamma = vlam poculum = beker celeritas, celeritates = snelheid eques, equites = ruiter mons, montes = berg pars, partes = deel tempus, tempora = tijd situs = gelegen tantus = zo groot celeber = druk bezocht, beroemd omnis = alle(n) tristis = bedroefd excitare = wakker maken explicare = uitleggen lacrimare = huilen mutare = wisselen, veranderen movere = bewegen, in beweging brengen adducere = brengen (naar) adferre = brengen (naar), aandragen cedere = (aan de kant) gaan considere = gaan zitten decidere = neervallen referre = terugbrengen tremere = trillen, schokken visere = gaan zien, bezoeken aperire = openen perire = omkomen, sterven redire = teruggaan sentire = voelen, merken servire = dienen, slaaf zijn superesse = nog in leven zijn, overleven a/ab + abl = van(af) apud = bij cum + abl = (samen) met ille, illa, illud = die, dat in + acc = naar, (tot) in in + abl = in, op, bij iuxta + acc = naast neque ... neque = niet ... en ook niet ob + acc = wegens ob eam causam = daarom pro + abl = voor sine dubio = zonder twijfel sub + acc = (tot) onder sub + abl = onder agricola = boer ager = veld, akker annus = jaar beneficium = weldaad, goede daad exemplum = voorbeeld labor, labores = inspanning quies, quietes = rust altus = hoog, diep durus = hard malus = slecht nudus = bloot plenus = vol (met) suus = zijn vacuus = leeg dulcis = zoet, aangenaam talis = dergelijk complures = verscheidene pauper (mv: pauperes) = arm, armoedig vetus (mv: veteres) = oud appellare = noemen, roepen lavare = wassen licet (mihi) = het is (mij) toegestaan miscere = mengen placet (mihi) = het bevalt (mij) accurrere = rennen naar, aan komen rennen colere = bebouwen, zorgen voor, vereren excipere = ontvangen exprimere = persen, uitdrukken ferre = dragen, brengen fundere = gieten, storten peragere = doorbrengen permittere = toestaan premere = onder druk zetten, drukken quaerere = zoeken, vragen solvere = losmaken, betalen inspicere = bekijken suscipere = op zich nemen necesse est = het is nodig magnopere = zeer maxime = het meest, vooral paene = bijna paulum = even, een beetje causa = zaak, oorzaak, reden silva = bos ferrum = ijzer, zwaard oculus = oog pretium = prijs ignis, ignes = vuur libertas, libertates = vrijheid opus, opera = werk gratus = dankbaar, aangenaam, welkom humanus = menselijk, vriendelijk maximus = zeer groot, grootst minimus = zeer klein, kleinst peritus = ervaren (in) pessimus = zeer slecht, slechtst plurimus = zeer veel, meest vester = jullie, van jullie fidelis = trouw maior, maius = groter melior, melius = beter minor, minus = kleiner peior, peius = slechter plus (mv: plures) = meer plures mv = meer errare = dwalen valere = waard zijn accumbere = aanliggen constituere = besluiten extrahere = uittrekken diripere = plunderen legere = lezen, verzamelen, kiezen petere = zoeken, vragen, op weg gaan naar resistere = zich verzetten tribuere = geven adire = gaan naar perficere = voltooien etiam = ook, zelfs heri = gisteren magis = meer minime = het minst, helemaal niet minus = minder nemo (acc: neminem) = niemand plus = meer praeterea = bovendien quam + comp = ... dan quam + sup = zo ... mogelijk quare = waarom vix = nauwelijks, met moeite poena = straf vita = leven castra mv = legerkamp gaudium = blijdschap modus = manier saxum = rots(blok) sonus = geluid centurio = centurio, onderofficier finis, fines = grens, einde, mv: gebied labor, labores = werk, moeite, inspanning lapis, lapides = steen laus, laudes = lof, roem legio, legiones = legioen omen, omina = voorteken vox, voces = stem citus = snel severus = streng incolumis = ongedeerd militaris = militair, soldaten- recens = nieuw, pas geleden iuvat me = ik vind het leuk vexare = kwellen volare = vliegen exercere = oefenen favere + dat = begunstigen merere = verdienen patere = open staan, zich uitstrekken iungere = verbinden pergere = verder gaan sternere = neerleggen, bedekken, uitspreiden munire = versterken conficere = afmaken efficere = gedaan krijgen, bereiken malle = liever willen nolle = niet willen offerre = aanbieden perferre = overbrengen, volbrengen, verdragen velle = willen cotidie = dagelijks cum = wanneer immo = integendeel paulo post = wat later primum = eerst quam = wat (uitroep) vel = of forma = vorm, gestalte, schoonheid aurum = goud alter ... alter = de een ... de ander barbarus = barbaar, barbaars dignus + abl = waard, waardig molestus = lastig nullus = geen enkel stultus = stom tantus ... quantus = zo groot ... als crudelis = wreed mirabilis = wonderlijk, bewonderenswaardig talis ... qualis = zo(danig) ... als par, pares = gelijk aan, opgewassen tegen confirmare = verzekeren constare = vast staan errare = dwalen, zich vergissen habitare = wonen ignorare = niet weten, niet kennen memorare = in herinnering roepen, vertellen negare = weigeren, ontkennen, zeggen dat niet putare = menen, vinden gaudere = blij zijn nocere + dat = schaden valere = gezond zijn, waard zijn credere + dat = geloven decidere = afhakken frangere = breken occidere = doden parcere + dat = sparen graviter ferre = het ernstig opnemen, erg vinden memini prf + gen = ik herinner mij parere = voortbrengen, verwerven fere = bijna, ongeveer haud = volstrekt niet itaque = daarom, dus non solum ... sed etiam = niet alleen ... maar ook etiam = ook pro + abl = voor, in plaats van quia = omdat quondam = eens, ooit satis = genoeg tum = toen, dan copiae mw = troepen ira = woede victoria = overwinning animus = geest, aandacht bellum = oorlog caelum = hemel imperium = gezag, rijk liberi mv = kinderen periculum = gevaar socius = bondgenoot telum = projectiel coniuratio, coniurationes = samenzwering dux, duces = aanvoerder honor, honores = eer mos, mores = gewoonte pax, paces = vrede princeps, principes = voornaamste, vorst regio, regiones = streek servitus, servitutes = slavernij liber = vrij opportunus = geschikt verus = waar, echt acer = scherp convocare = bijeenroepen dubitare = twijfelen expugnare = veroveren servare = redden, bewaren apparere = verschijnen, duidelijk zijn, blijken augere = vergroten debere = moeten, verschuldigd zijn florere = bloeien sustinere = omhooghouden, uithouden caedere = doden cogere = dwingen crescere = groeien depellere = verdrijven incendere = in brand steken, aanvuren instruere = opstellen invadere = binnenvallen, aanvallen offendere = beledigen, stoten tegen opprimere = overweldigen, onderdrukken statuere = besluiten hic, haec, hoc = deze, dit is, ea, id = hij, zij, het; deze, dit, die, dat quidem ... sed = weliswaar ... maar se = zich divitiae mv = rijkdom magister = meester vestigium = (voet)spoor, voetstap aetas, aetates = tijd, leeftijd coniunx, coniuges = echtgenoot, echtgenote frigus, frigora = koude frons, frontes = voorhoofd carus = dierbaar humanus = menselijk, beschaafd iucundus = aangenaam occupatus = bezet, bezig mollis = zacht, week felix = gelukig infelix = ongelukkig administrare = regelen, besturen curare = zorgen voor, verzorgen sperare = hopen detinere = vasthouden, tegenhouden parere (lange 'e') = gehoorzamen solere = gewend zijn, gewoon zijn cernere = onderscheiden, zien decernere = besluiten deponere = neerleggen imponere = plaatsen in/op reddere = teruggeven, maken (tot) impedire = belemmeren recipere = ontvangen abesse = afwezig zijn auferre = wegbrengen, weghalen praeferre = de voorkeur geven aan proferre = naar voren brengen subire = op zich nemen a/ab + abl = vanaf, door antequam = voordat atque = en denique = tenslotte, kortom hic = hier pridie = de vorige dag profecto = inderdaad secum = cum se umquam = ooit copia = voorraad, hoeveelheid, gelegenheid prudentia = verstand, inzicht sententia = mening consilium = plan, advies, besluit responsum = antwoord auctoritas, auctoritates = gezag civitas, civitates = stad, staat, stam, gemeenschap difficultas, difficultates = moeilijkheid flumen, flumina = rivier gens, gentes = volk hostis, hostes = vijand salus, salutes = welzijn, redding, behoud victor, victores = overwinnaar varius = afwisselend, verschillend desperare = wanhopen recusare = weigeren arcere = afweren audere = durven censere = menen, oordelen delere = verwoesten obtinere = in bezit krijgen, in bezit hebben, in bezit houden committere = toevertrouwen confidere + dat = vertrouwen op construere = bouwen consulere = raadplegen contemnere = verachten, minachten dedere = overgeven, overhandigen destruere = afbreken lacessere = uitdagen circumvenire = omsingelen aufugere = wegvluchten bellum infere + dat = oorlog (gaan) voeren tegen coepi prf = ik ben begonnen, ik begon conferre = bijeenbrengen inferre = binnenbrengen aliquot = heel wat (tunc) demum = (toen) pas nisi = als niet, behalve prius = eerder procul = ver weg qui, quae, quod = welke, welk, die, dat audacia = lef, brutaliteit superbia = trots, arrogantie posteri mv = nakomelingen, latere generaties proelium = gevecht regnum = koninkrijk, koningschap studium = ijver, enthousiasme vinculum = verbinding, boei amor, amores = liefde arx, arces = burcht, de hooste plaats in een stad certamen, certamina = strijd, wedstrijd mens, mentes = geest, verstand potestas, potestates = macht, gelegenheid pudor, pudores = schaamte sors, sortes = lot, orakel antiquus = oud, uit het verleden mirus = wonderlijk reliquus = overig interior =meer naar binnen gelegen nobilis = bekend, aanzienlijk, edel singularis = buitengewoon, uitzonderlijk frequens = druk bezocht, talrijk affirmare = verzekeren, bevestigen collocare = opstellen, plaatsen demonstrare = aantonen dimicare = strijden fugare = op de vlucht jagen instare + dat = op de hielen zitten, aandringen interrogare = ondervragen properare = zich haasten sollicitare = ongerust maken turbare = in verwarring brengen continere = vasthouden, bevatten pertinere ad = zich uitstrekken tot, leiden tot, betrekking hebben op adimere = wegnemen consumere = opeten, verbruiken desistere = ophouden incedere = voortgaan, gaan naar perimere = doden rumpere = breken succedere + dat = naderen, opvolgen tangere = (aan)raken bis = tweemaal contra + acc = tegenover et ... et = zowel ... als nequiquam = tevergeefs praesertim = vooral simulac = zodra culpa = schuld dea = godin gloria = roem flagitium = schanddaad fluvius = rivier adulescens, adulescentes = jonge man decus, decora = sieraad, eer dignitas, dignitates = waardigheid honor, honores = eer, ere-ambt preces mv = (smeek)bede sacerdos, sacerdotes = priester sedes, sedes = (zit)plaats voluntas, voluntates = wil, verlangen divinus = goddelijk falsus = vals, onecht perpetuus = eeuwig sacer = heilig summus = hoogste, grootste insignis = opvallend, bekend creare = kiezen (tot) iurare = zweren iuvare = helpen liberare a = bevrijden van orare = bidden (tot), smeken spoliare + abl = beroven van superare = overtreffen vitare = vermijden oportet (me) = het behoort (dat ik) condere = stichten, opbergen, verbergen contingere + dat = gebeuren, ten deel vallen exstinguere = doven, blussen metuere = vrezen evenire = gebeuren, uitkomen punire = straffen vincire = boeien, binden referre = terugbrengen, rapporteren, melden aliquando = ooit, eens ne ... quidem = zelfs ... niet neque = en niet, maar niet, ook niet quando = wanneer quoniam = omdat simul = tegelijkertijd sin = maar als cura = zorg misericordia = medelijden morbus = ziekte venenum = vergif dolor, dolores = pijn, verdriet ius iurandum = eed mensis, menses = maand os, ossa = bot pectus, pectora = borst valetudo, valetudines = gezondheid virtus, virtutes = dapperheid, deugd vis, vires = kracht, geweld aeger = ziek creber = talrijk dexter = rechter, gunstig infirmus = zwak propinquus = verwant, familielid, naburig sanus = gezond sinister = linker, ongunstig ultimus = uiterste, laatste existimare = schatten, menen, beschouwen als perturbare = in verwarring brengen sanare = gezond maken secare = snijden commovere = hevig bewegen, schokken imminere + dat = uitsteken boven, hangen boven, bedreigen persuadere + dat = overtuigen remanere = (achter)blijven arcessere = ontbieden dimittere = wegsturen erumpere = uitbreken sinere = toestaan sumere = nemen, eten perspicere = doorzien, begrijpen interest = (het) is van belang opus est + abl = er is nodig prodesse = voordelig zijn, baten modo ... modo = nu eens ... dan weer quantum bw = hoe veel, zo veel als ubi (primum) + perf = zodra fama = gerucht, faam, reputatie ripa = oever animal, animalia = dier mulier, mulieres = vrouw necessitas, necessitates = noodzaak orbis (terrarum) = wereld pondus, pondera = gewicht vates, vates = zanger, dichter clarus = helder, beroemd supremus = laatste, hoogste vivus = levend circumdare = omgeven conari = proberen adhibere = gebruiken dolere = verdriet/pijn doen, verdriet/pijn hebben mordere = bijten polliciri = beloven vereri = vrezen complecti = omhelzen consequi = volgen, inhalen, bereiken exstruere = opbouwen loqui = spreken oblivisci + gen = vergeten proficisci = vertrekken queri = klagen reverti = terugkeren sequi = volgen spargere = strooien opperiri = wachten op ordiri = beginnen oriri = ontstaan, opkomen reperire = vinden sepelire = begraven mori = sterven progredi = voortgaan, naar voren stappen deesse + dat = ontbreken efferre = naar buiten dragen praeterire = voorbijgaan transferre = overbrengen ut = zoals, zodra iniuria = onrecht summa = hoofdzaak commodum = voorziening, voordeel factum = daad, feit cliens, clientes = client iudex, iudices = rechter ius, iura = (het) recht onus, onera = last, lading oratio, orationes = redevoering orator, oratores = redenaar testis, testes = getuige rectus = recht, juist superus = zich boven bevindend inferior = lager gelegen mediocris = middelmatig postulare = eisen probare = aannemelijk maken, bewijzen versari = zich bevinden egere + abl = nodig hebben accendere = aansteken, in de brand steken comprehendere = grijpen, begrijpen deserere = in de steek laten disserere = betogen eligere = kiezen nasci = geboren worden niti = zich inspannen reri = menen ruere = (in)storten uti + abl = gebruiken afficere = treffen, raken deficere = in gebreke blijven, tekort schieten egredi = weggaan alibi = ergens anders an = of eo = daarheen forte = toevallig hinc = hiervandaan illic = daar illinc = daarvandaan illuc = daarheen inde = daarvandaan parum bw = te weinig quo = waarheen quodsi = maar als usquam = ergens lingua = taal ripa = oever unda = golf, water liber znw = boek aer, acc: aera = lucht munus, munera = geschenk, taak aestus IV = hitte, gloed, branding amplexus IV = omhelzing casus IV = val, geval, lotgeval, toeval lacus IV = meer manus IV = hand tumultus IV = onrust usus IV = gebruik vultus IV = gezicht dies V = dag facies V = gezicht, gedaante fides V = (woord van) trouw, vertrouw, geloof res V = zaak, ding species V = uiterlijk spes V = hoop, verwachting improbus = slecht, gemeen publicus = openbaar, staats- ullus = enig, enkel communis = gemeenschappelijk qualis = hoedanig, zodanig als turpis = lelijk, schandelijk amare = houden van, beminnen fateri = toegeven videri = schijnen, lijken avertere = afwenden repellere = terugdrijven tendere = spannen, strekken vadere = gaan potiri + abl = zich meester maken van pati = dulden, toestaan, lijden, doorstaan differe = verschillen, uitstellen nec ... nec = niet ... en ook niet quid = wat, waarom quo + comp ... eo + comp = hoe ... des te quotiens = hoe vaak, zo vaak als fuga = vlucht porta = poort potentia = macht supplicium = smeekbede, doodstraf aedis, aedes = tempel cupido, cupidines = begeerte, verlangen lumen, lumines = licht, oog pernicies V = dood, ondergang res adversae mv = tegenspoed firmus = stevig, krachtig superbus = trots, arrogant adhortari = aansporen admirari = bewonderen, zich verwonderen aequare = gelijk maken, evenaren comitari = vergezellen, volgen iactare = heen en weer smijten, pochen morari = wachten, laten wachten precari = bidden, smeken intuere = bekijken prohibere = verhinderen alloqui = toespreken concurrere = samenstromen, slaags raken convertere = (om)draaien intender (in) = richten (op) tegere = bedekken comperire = begrijpen, ontdekken obviam venire + dat = tegemoet komen effugere = (ont)vluchten ait = (hij/zij) zegt, zei adeo = zozeer contra bw = daarentegen cum + abl = met cum + con = toen, nadat, omdat, hoewel cum + ind = wanneer, zodra diutius bw = langer interim = intussen ne + con = met de bedoeling dat niet, om niet te, om te voorkomen dat rursus bw = weer tamquam = als(of) ut + con = met de bedoeling dat, om te, met als gevolg dat, zodat utinam = (leidt een wens in, hoeft niet vertaald te worden)