fuga = vlucht porta = poort potentia = macht supplicium = smeekbede, doodstraf aedis, aedes = tempel cupido, cupidines = begeerte, verlangen lumen, lumines = licht, oog pernicies V = dood, ondergang res adversae mv = tegenspoed firmus = stevig, krachtig superbus = trots, arrogant adhortari = aansporen admirari = bewonderen, zich verwonderen aequare = gelijk maken, evenaren comitari = vergezellen, volgen iactare = heen en weer smijten, pochen morari = wachten, laten wachten precari = bidden, smeken intuere = bekijken prohibere = verhinderen alloqui = toespreken concurrere = samenstromen, slaags raken convertere = (om)draaien intender (in) = richten (op) tegere = bedekken comperire = begrijpen, ontdekken obviam venire + dat = tegemoet komen effugere = (ont)vluchten ait = (hij/zij) zegt, zei adeo = zozeer contra bw = daarentegen cum + abl = met cum + con = toen, nadat, omdat, hoewel cum + ind = wanneer, zodra diutius bw = langer interim = intussen ne + con = met de bedoeling dat niet, om niet te, om te voorkomen dat rursus bw = weer tamquam = als(of) ut + con = met de bedoeling dat, om te, met als gevolg dat, zodat utinam = (leidt een wens in, hoeft niet vertaald te worden)