filia = dochter puella = meisje atrium = atrium avus = opa domus = huis hortus = tuin tablinum = werkvertrek mater, matres = moeder pater, patres = vader senex, senes = oude man ambulare = wandelen circumspectare = rondkijken cogitare = denken intrare = binnengaan rogare = vragen salutare = groeten, begroeten stare = staan vocare = roepen sedere = zitten videre = zien quaerere = zoeken dormire = slapen nescire = niet weten esse = zijn diu = lang, lange tijd ecce = kijk et = en in atrio = in het atrium non = niet per = door ... heen per domum = door het huis (heen) semper = altijd ubi = waar ancilla = slavin aqua = water mensa = tafel cibus = het eten filius = zoon gemini = tweeling puer = jongen servus = slaaf triclinium = eetkamer arbor, arbores = boom iratus = boos laetus = blij clamare = roepen, schreeuwen exspectare = wachten op festinare = zich haasten laborare = werken parare = klaarmaken, voorbereiden portare = dragen spectare = kijken naar respondere = antwoorden ridere = lachen timere = bang zijn voor, vrezen dicere = zeggen discedere (e/ex) = weggaan (uit) ludere = spelen ponere = neerzetten audire = horen, luisteren invenire = vinden venire = komen adesse = aanwezig zijn adhuc = nog (steeds) ave= dag, gegroet cur = waarom e/ex = uit e triclinio = uit de eetkamer nunc = nu, op dit moment sed = maar statim = onmiddellijk, meteen subito = plotseling unus = 1 duo = 2 tres = 3 quattuor = 4 quinque = 5 sex = 6 septem = 7 octo = 8 novem = 9 decem = 10 viginti = 20 centum = 100 mille = 1000 primus = eerste secundus = tweede tertius = derde quartus = vierde quintus = vijfde sextus = zesde septimus = zevende octavus = achtste nonus = negende decimus = tiende femina = vrouw stola = stola taberna= winkel toga = toga via = straat, weg faber = werkman gladius = zwaard grammaticus = leraar murus = muur mercator, mercatores = koopman alius = ander contentus = tevreden latus = breed magnus = groot multus = veel novus = nieuw optimus = zeer goed, best paratus = klaar, gereed, bereid parvus = klein pulcher = mooi delectare = bevallen, in de smaak vallen habere = hebben contendere ad = gaan naar, op weg zijn naar currere = rennen emere = kopen surgere = opstaan facere = maken, doen ad = naar, bij, tot ad grammaticum = naar de leraar ante = voor ante tabernam = voor de winkel domo = van huis, het huis uit ego = ik iam = al ibi = daar libenter = graag quod = omdat quoque = ook tu = jij, u fabula = verhaal lingua = taal littera = letter discipulus = leerling equus = paard homo, homines = mens, man miles, milites = soldaat nox, noctes = nacht urbs, urbes = stad altus = hoog ceteri = de overigen pauci = weinig, een paar tacitus = stil, zwijgend tardus = laat omnes = allen diligens = goed, zorgvuldig laudare = prijzen narrare = vertellen oppugnare = belegeren ardere = branden, in brand staan docere = onderwijzen ascendere = beklimmen, omhoog gaan descendere = afdalen, naar beneden gaan discere = leren scribere = schrijven vincere = overwinnen custodire = bewaken scire = weten, kennen incipere = beginnen aut = of bene = goed ita = zo iterum = weer, opnieuw nihil = niets nos = wij quid = wat quomodo = hoe tandem = eindelijk valde = zeer vos = jullie cena = maaltijd amicus = vriend dominus = meester, heer des huizes vinum = wijn canis, canes = hond caput, capita = hoofd senator, senatores = senator sermo, sermones = gesprek romanus = romeins, romein timidus = bang exclamare = uitroepen cavere = oppassen voor iubere = bevelen manere = blijven pendere = hangen tacere = zwijgen terrere = bang maken accedere ad = gaan naar bibere = drinken consistere = gaan staan, blijven staan desinere = ophouden repetere = herhalen advenire = aankomen capere = pakken, nemen cupere = willen, verlangen posse = kunnen age = kom, schiet op autem = echter, maar celeriter = snel frustra = tevergeefs ipse, ipsa, ipsum = zelf itavero = ja zeker post = na post cenam = na het eten prope = (dicht) bij prope urbem = dicht bij de stad quis = wie saepe = vaak supra = boven supra caput = boven het hoofd tam = zo insula = eiland terra = grond, aarde aedificium = gebouw forum = forum, marktplein clamor, clamores = geschreeuw navis, naves = schip rex, reges = koning sol, solis = zon anxius = angstig, bezorgd longus = lang miser = ongelukkig mortuus = dood tutus = veilig fortis = sterk, dapper gravis = zwaar ingens = enorm aedificare = bouwen servare = redden temptare = proberen vetare = verbieden debere = moeten retinere = vasthouden, tegenhouden tenere = vasthouden finire = beeindigen de = van ... af de muro = van de muur af deinde = vervolgens domi = thuis iam non = niet meer igitur = dus inter = tussen inter homines = tussen de mensen interea = intussen mox = spoedig nuper = zojuist, kortgeleden postremo = tenslotte postridie = de volgende dag primo = eerst sicut = zoals tunc = toen, op dat moment pecunia = geld arma = wapens deus = god locus = plaats oraculum = orakel signum = teken vir = man frater, fratres = broer virtus, virtutes = dapperheid aptus = geschikt medius = middelste, midden notus = bekend solus = alleen humilis = laag omnia = alles, alle incitare = aansporen necare = doden orare = bidden tot pugnare = vechten apparere = verschijnen agere = doen claudere = sluiten gerere = dragen intellegere = begrijpen mittere = sturen, zenden revenire = terugkomen inquit = hij zegt, hij zei antea = eerder de = vanaf, over hodie = vandaag ideo = daarom nonne = toch wel? num = toch niet? numquam = nooit olim = eens, vroeger -que = en quot = hoeveel tantum = slechts trans = over trans murum = over de muur