jagers of boeren: ze leven van jagen, verzamelen en vissen = jagers jagers of boeren: hun leven was vrij: geen vaste werktijden, je werkte totdat er genoeg was = jagers jagers of boeren: ze leefden op een vaste plek, leefden in grote boerderijen = boeren jagers of boeren: ze leefden in groepen van 100-200 = boeren jagers of boeren: ze hadden maar weinig voorraden = jagers jagers of boeren: ze leefden in groepen van 20-30 = jagers jagers of boeren: weinig bezittingen (kleding, wapens en werktuigen) = jagers jagers of boeren: ze leefden in hutten = jagers jagers of boeren: door meer bezittingen ook meer verschil tussen arm en rijk = boeren jagers of boeren: het leven was regelmatig, er waren vaste tijden voor werkzaamheden = boeren jagers of boeren: mannen beschermden, joegen en visten, vrouwen verzamelden en deden huishoudelijk werk = jagers jagers of boeren: ze leefden van akkerbouw en veeteelt, maar deden ook aan jagen/vissen/verzamelen = boeren jagers of boeren: ze leefden in boerderijen = boeren jagers of boeren: 20 mensen hadden genoeg aan 1 vierkante km om van te leven = boeren jagers of boeren: 1 mens had 25 vierkante km nodig om van te leven = jagers jagers of boeren: ze leefden in de Nieuwe Steentijd = boeren jagers of boeren: ze leefden in de Oude Steentijd = jagers