LESMODEL DIRECTE INSTRUCTIE
Gebaseerd op S. Ebbens e.a., Effectief leren in de les (1996) en R.J. Marzano, W. Miedema, Leren in vijf dimensies (2005)
(Onderstaand lesmodel als wordbestand
downloaden)
|
0. LESVOORBEREIDING 0.1 WELK BETEKENISVOL LESDOEL HEEFT DEZE
LES? §
Bedenk doelen waarmee leerlingen iets kunnen leren
over: o
zichzelf o
de samenleving waarin ze leven o
over de mens en/of het bestaan in het algemeen. Voor sommige
lessen kan dat niet omdat ze hun betekenis pas krijgen in het grotere geheel
van de lessenserie. Bedenk dan welke bijdrage de les daaraan levert. §
Een leerdoel is een beschrijving van een gewenst leerresultaat.
Bedenk een doel dat toetsbaar is in concreet leerlingengedrag zodat je kunt
vaststellen of het resultaat is bereikt. Een goed lesdoel bevat altijd twee
elementen: o
de inhoud (de leerstof) o
de handeling die de leerling ermee moet verrichten
(het gedrag) 0.2 WAT IS DE TAKENANALYSE? §
Op
welke vorm van leren (volgens Marzano leerdimensies)
wordt in deze les de nadruk gelegd: o nieuwe kennis verwerven en integreren? o bestaande kennis uitbreiden en verfijnen? o kennis zinvol toepassen? §
Kies
lesactiviteiten die passen bij de vorm van leren (leerdimensie) die centraal
staat:
0.3 WELKE LESONDERDELEN BEVAT DEZE LES? §
Wat
moet ik als docent doen? §
Wat
moeten leerlingen doen? §
Wat
heb ik daarbij nodig? Hoe kan ik het boek en de opdrachten gebruiken voor de
leeractiviteiten die ik wil laten uitvoeren. Welk aanvullend materiaal heb ik
eventueel nodig? §
Hoe
ga ik controleren of het lesdoel wordt bereikt? §
Moet
er ook tijd worden ingeruimd voor controle vorige les, nakijktijd, etc.? 1. INTRODUCTIE
(tijdsduur: …) 1.1 Wat gebruik
ik als aandachtrichter/aansluiter
voorkennis? §
Kies
uit: o
a
Aansluiting lesdoel vorige les via terugvragen, overhoren o
b
Algemene aandachttrekker: Ø
anekdote,
actualiteit Ø
spelelement
(vraag, kleine enquête) Ø
afbeelding,
voorwerp of iets anders dat nieuwsgierigheid wekt. (Deze
aandachtrichters werken veel prettiger (en soms ook beter) dan de meer
repressieve middelen als vermaningen, wachten op stilte, of met de sleutels
op het bord tikken.) §
Zorg
dat de aandachtrichter of de aansluiter op de voorkennis logisch leidt naar
een probleemgericht lesdoel. Idealiter stellen leerlingen zelf de vraag die
de kern vormt van het lesdoel. 1.2 Welk lesdoel schrijf ik op het bord? §
Formuleer het lesdoel in leerlingentaal en zet dit
op het bord. (Denk aan de twee elementen: inhoud en de handeling die ermee
verricht moet worden. Ga na of en hoe het leerdoel aan het einde van de les
getoetst kan worden.) §
Leg uit wat er betekenisvol aan het leerdoel is of
hoe het concreet bijdraagt aan het grotere geheel van betekenisvol onderwijs. 1.3 Welke lesonderdelen geef ik aan en hoe
deel ik die mee? §
Deel
de lesonderdelen mee of schrijf ze op. Advies: Het kan goed werken om de onderdelen met een tijdschema op het
bord te zetten. Dit biedt de mogelijkheid om de leerlingen bij het verloop
van de les te betrekken. Het afwijken van het tijdschema kan met de klas
gedeeld worden (hebben zij wel hard genoeg doorgewerkt als iets meer tijd
kostte dan gepland? Heeft de docent zijn/haar uitleg niet langer gemaakt dan
gepland? Enz.). 2. INSTRUCTIE
(tijdsduur: …) 2.1 Waaruit
bestaat de instructie? §
Schrijf
de instructie of uitleg voor jezelf uit inclusief eventuele bordschema’s,
onderwijsleervragen, etc. §
Laat
teksten en schema’s op bord in dialoog met de klas ontstaan. Als je slechts
aantekeningen wilt laten overnemen, bedenk dan of kopiëren niet zinvoller is. 2.2 Welke
voorbeelden gebruik ik eventueel? §
Bedenk
waar mogelijk concrete voorbeelden of laat die door de leerlingen bedenken. 2.3 Welke
controlevragen gebruik ik eventueel meteen na de instructie? §
Sluit
eventueel af met het terugvragen van de inhoud in eigen woorden. Adviezen: §
Haarbaarheid:
houd uitleg kort (10 a 15 min.), evt. eerst andere werkvorm, dan verder. §
Houd
de aandacht vast met concrete, visuele voorbeelden, gebruik bord, humor en
zorg voor rust. §
Bevorder
actief luisteren door aan te geven wat de leerlingen tijdens of na de
instructie moeten doen: o aantekeningen bord overnemen? o achteraf belangrijke punten opschrijven
(evt. later bespreken)? o achteraf vragen van docent beantwoorden? o straks oefeningen kunnen maken? 3. VERWERKING (tijdsduur: …) 3.1 Wat zijn
de verwerkingsopdrachten? §
Zorg
voor verwerkingsopdrachten, bijvoorbeeld: o
mondelinge
controlevragen na de instructie o
opdrachten
waarmee de stof kan worden verwerkt 3.2 Wat doe
ik met leerlingen die eerder klaar zijn? §
Bedenk
iets voor leerlingen die eerder klaar zijn: o
Laat
leerlingen zich melden als ze klaar zijn o
Controleer
eerst of opdrachten naar behoren zijn o
Geef
dan pas sponsopdrachten (voorkomt afraffelen van de basisvragen). o
Geef
verdiepende sponsopdrachten waaraan (extra) eer te behalen valt, niet meer
opdrachten van hetzelfde. Advies: §
Begeleid
zelfwerkzaamheid in rondes: o
Help
eerste 5 min. niet. Dit stimuleert dat leerlingen het eerst zelf proberen. o
Maak
eventueel een instructieve ronde: slechts instructie voor wie niet weet wat
hij moet doen. o
Maak
een inhoudelijke ronde: probeer de leerlingen op het spoor te zetten zonder
antwoord te geven. o
Maak
eventueel nog een evaluatieve ronde: loop bij afronden werk door de klas om
te kijken of leerlingen hun werk hebben gedaan. Zo kun je ook kijken wat je
nog even klassikaal wilt doen. 4.
AFSLUITING EN HUISWERK (tijdsduur: …) 4.1 Wat zijn
de controlevragen om na te gaan of het lesdoel is bereikt? §
Stel
klassikale controlevragen om na te gaan of het lesdoel is bereikt. Adviezen: §
Let
op individuele aanspreekbaarheid: o
laat
alle leerlingen antwoord evt. eerst opschrijven o
geef
willekeurige beurten, dus geen vingers! o
geen
"wie weet...-vragen" want iedereen moet denken. §
Let
op zichtbaarheid: stel lesdoelgerichte vragen waaruit blijkt of het begrepen
is. §
Bespreek
eventueel het resultaat en besteed aandacht aan de oorzaken van het succes of
falen van het behalen van het lesdoel. 4.2 Wat is
het huiswerk? §
Geef
indien mogelijk inslijp- en verdiepingsvragen als huiswerk op. |