OPDRACHTEN ARCHEON

In het Archeon kun je op drie afdelingen iets te weten komen over vijf tijdperken. Kijk maar naar het schema hieronder. Jullie maken over deze tijdperken opdrachten in groepjes van 4. De meeste antwoorden kun je vinden door goed rond te kijken of de bewoners van het archeon te raadplegen. Maar je moet soms ook je boek gebruiken.

Het materiaal leveren jullie in bij je geschiedenisdocent.

Heel veel succes en een leuke dag toegewenst!

De sectie geschiedenis

AFDELING

TIJDPERK

prehistorie

1 de tijd van jagers/verzamelaars (vóór de landbouwrevolutie)

 

2 de tijd van de eerste boeren (ná de landbouwrevolutie)

Romeinen

3 het romeinse rijk

Middeleeuwen

4 de middeleeuwen vóór het ontstaan van steden

 

5 de middeleeuwen ná het ontstaan van steden

NAMEN
1
2
3
4
KLAS:

DE PREHISTORIE

VAN JAGERS/VERZAMELAARS NAAR BOEREN: EEN REVOLUTIE?

In de prehistorie zijn mensen overgegaan van jagen en verzamelen naar landbouw. Dit heeft het hele leven zo veranderd, dat deze overgang wel een revolutie wordt genoemd. Waaraan kun je zien dat het leven door die landbouwrevolutie veranderd is? En welke dingen zijn hetzelfde gebleven? Dat gaan jullie uitzoeken op de afdeling prehistorie.

VRAGEN OVER JAGERS EN VERZAMELAARS

Bedenk eerst welke woningen van de jagers/verzamelaars zijn en ga daar heen

1 Woningen van jagers/verzamelaars
Ga een woning van een jager/verzamelaar binnen
a Wat is ongeveer de oppervlakte?
b Van welke materialen is de woning gemaakt?

2 Kleding van jagers/verzamelaars
Beschrijf de kleding van een jager/verzamelaar. Van welk materiaal is het gemaakt?

3 Voedsel van jagers/verzamelaars
a Wat aten jagers/verzamelaars? (bekijk goed wat je aan eten in de woningen kunt vinden en/of vraag het aan de bewoners).

4 Beroepen van jagers/verzamelaars
Waren er veel verschillende beroepen? Zo ja, schrijf er dan enkele op.

5 Samenleven bij jagers/verzamelaars
Ga na hoeveel mensen ongeveer met elkaar in een nederzetting samenleefden.

6 Techniek bij jagers/verzamelaars
Schrijf een aantal voorwerpen op waaraan je kunt zien welke technieken de jagers beheersten.

7 Geloof van jagers/verzamelaars
a Hadden de jagers/verzamelaars een god of meer goden? b Zoek de steen van de sjamaan op (nr. 6 op de plattegrond). Bedenk welke god of goden ze waarschijnlijk aanbaden.

VRAGEN OVER DE EERSTE BOEREN

Bedenk eerst waar de woningen van de eerste boeren staan en ga daarheen

1 Woningen van de eerste boeren
Ga een woning van een boerenfamilie binnen
a Wat is ongeveer de oppervlakte?
b Van welk materialen is de woning gemaakt?

2 Kleding van de eerste boeren
Beschrijf de kleding van de eerste boeren. Van welk materiaal is het gemaakt?

3 Voedsel van de eerste boeren
a Wat aten de boeren (bekijk goed wat je aan eten in de woningen kunt vinden en/of vraag het aan de bewoners).

4 Beroepen van de eerste boeren
Waren er veel verschillende beroepen? Zo ja, schrijf er dan enkele op.

5 Samenleven bij de eerste boeren
Ga na hoeveel mensen ongeveer met elkaar samenleefden in een nederzetting.

6 Techniek bij de eerste boeren
Schrijf een aantal voorwerpen op waaraan je kunt zien welke technieken de boeren beheersten. (Denk ook aan het graf dat je op deze afdeling kunt vinden en leg iets uit over de techniek die nodig was om zo’n graf te maken)

7 Geloof van de eerste boeren
a Hadden de boeren één god of meer goden?
b Bedenk welke god/goden ze waarschijnlijk aanbaden.

SAMENVATTINGSOPDRACHT

Ga nu nog eens na op welk gebied is er veel veranderd en waaruit die veranderingen bestonden? Vergelijk daarvoor eerst per vraag de antwoorden van de jagers/verzamelaars en de boeren. Vul dan het schema hieronder in. In de eerste kolom zet je een W (van wel) als er wel veel veranderd is en een N (van niet) als er niet veel veranderd is. Als je een J hebt ingevuld zet je in de 2e kolom de belangrijkste veranderingen bij de boeren op.
 

J/N

Belangrijke veranderingen bij de eerste boeren:

1 woning

   

2 kleding

   

3 voedsel

   

4 beroepen

   

5 samenleven

   

6 techniek

   

7 geloof

   

Leg nu uit hoe het komt dat er door de landbouwrevolutie zo veel dingen zijn veranderd. Gebruik je boek en leg het uit met voorbeelden uit je schema hierboven.

Vinden jullie het terecht dat de overgang van jagen/verzamelen naar landbouw een revolutie wordt genoemd? Leg jullie antwoord uit.

DE ROMEINEN

WELKE INVLOED HADDEN DE ROMEINEN OP NEDERLAND?

Het zuiden van Nederland was vroeger een deel van het romeinse rijk. Wat hebben de romeinen toegevoegd aan het leven van de germanen? En wat hebben wij nu nog steeds aan de romeinen te danken? Dat gaan jullie uitzoeken op de afdeling romeinen.

 

GA NAAR DE ROMEINSE HERBERG

De in Archeon nagebouwde herberg heeft rond de 2e eeuw in Nijmegen gestaan. Bezoekers van de herberg waren hoge officieren, handelaren, koeriers en soldaten. De Romeinse regering in Rome vond het belangrijk dat ervoor de koeriers die met berichten door het hele rijk werden gestuurd, goede wegen en veilige herbergen waren. In het restaurant staan Romeinse gerechten op de menukaart. De recepten zijn afkomstig uit het kookboek van de beroemde Romeinse kok Apicius.

Toen de Romeinen in Nederland kwamen was men hier gewend van gerstemeel brei en platte koeken te maken. Broodtarwe kende men nog niet. De Romeinse legers brachten veel onbekende planten en dieren mee naar onze streken. Zoals bijvoorbeeld de kip, een Aziatische vogelsoort die zich door toedoen van de Romeinen over Europa verspreid heeft. Ook rode snijbiet, bloemkool, andijvie, sla, selderie en peterselie brachten de Romeinen mee. Om het eten te kruiden werden o.a. koriander en mosterd gebruikt. Uit het zuiden werden olijven en olijfolie, gesuikerde perziken en pijnboompitten geïmporteerd. Ook speciale kookbenodigdheden, zoals azijn, peper en garum werden ingevoerd. Garum (of liquamen) werd gebruikt als een soort vloeibaar zout. Het werd gemaakt van rode wijn, zout, ansjovis of andere vette vis en majoraan in gespecialiseerde fabriekjes. Een Germaanse gewoonte die werd overgenomen door de Romeinen, was het eten van soep. Hieronder verstond men het dopen van brood in een eetbare vloeistof, zoals bouillon uit vlees of merg. Later ging men de naam soep gebruiken voor een gerecht dat bestond uit bouillon met een vulling van vlees, kruiden en vooral veel brood of andere meelprodukten. In Zwammerdam (gemeente Alphen aan den Rijn) werden de resten gevonden van een "Soepkeuken". In de sloot, vlak bij deze Romeinse gaarkeuken, vond men honderden runderbotten, allemaal van de poten. Van het vlees dat hierop zat en van het merg dat uit de botten gehaald werd, trok men de bouillon.

# Schrijf op welke romeinse gerechten je in de herberg kunt kopen

# Schrijf hiervan enkele ingrediënten op die nieuw waren voor de germanen en die wij nu nog in de keuken gebruiken:

# Welk gerecht hebben de romeinen eigenlijk van de germanen overgenomen?

GA NAAR DE THERMEN, HET ROMEINSE BADHUIS

Het badhuis (de thermen) in het Archeon is een kopie van een badhuis dat in Heerlen heeft gestaan. De fundamenten van het echte badhuis kun je nog steeds zien in het Thermenmuseum in Heerlen. Het badhuis is waarschijnlijk in de eerste helft van de 2e eeuw gebouwd en tot rond 400 in gebruik geweest. Het badhuis behoort tot het zogenaamde 'rijentype', dit betekent dat alle vertrekken achter elkaar liggen. Naast het baden, heeft het badhuis ook een sociale functie.

# Schrijf op wat de romeinen allemaal in het badhuis deden (denk aan de plattegrond van het badhuis: uit de namen van de vertrekken kun je veel afleiden. Als je geluk hebt zie je ook mensen in het badhuis aan het werk!)

# Ga na hoe het badhuis werd verwarmd en beschrijf dit zo goed mogelijk.

# Zoek op welke volken in Nederland woonden voordat de romeinen er kwamen (p. 120 van je boek) en bekijk de Bataafse soldaat op afbeelding 40 (p. 121). Denk je dat deze volken net zo’n badcultuur hadden als de romeinen? Leg je antwoord uit.

GA NAAR DE TEMPEL

Het tempelcomplex bestaat uit een ommuurde voorhof met een tempel, gebaseerd op opgravingen in Cuijk en Maastricht en dateert uit de 2e eeuw na Christus. De poort geeft toegang tot de voorhof met daarin een zuil die gewijd is aan de oppergod Jupiter. De tempel heeft een hoge cultusruimte (cella) waar een zuilengang (porticus) omheen is gebouwd. In de cella wordt de germaanse godin Nehalennia vereerd. Zij was de godin van de vruchtbaarheid en de handel. Van de Godin Nehalennia is veel teruggevonden dankzij vissers die in hun netten heel veel altaarstenen hebben opgevist uit de Westerschelde. Vlak voor de kust bij Domburg moet een Romeinse tempel van deze godin hebben gestaan, die door het afkalven van de oever in zee is gestort.

# Welke twee goden worden in de tempel vereerd?

# Hoe kun je aan de inrichting van de tempel zien dat de romeinse en germaanse godsdienst elkaar beïnvloed hebben?

# Over welke belangrijke godsdienst uit het late romeinse rijk vind je niet in het archeon?

# Hebben wij ons geloof van de romeinen overgenomen? Leg je antwoord uit.

GA NAAR HET HUIS VAN DE ROMEINSE POTTENBAKKER

In de Romeinse tijd leeft het grootste deel van de bevolking in boerderijen op het platteland. Een klein deel woont in de steden en houdt zich bezig met ambachtelijk werk. Het zijn kleine zelfstandigen, die meestal een sober leven leiden in eenvoudige woonhuizen. Het woonhuis in het Archeon is gebaseerd op een opgraving in Voorburg (Zuid Holland), waar het deel uitmaakte van een woonblok van vijf huizen. In het voorste deel van het huis is de werkplaats/winkel van de pottenbakker.

# Bestudeer de manier waarop de pottenbakker te werk gaat. Wat kenden de germanen al en wat hebben ze van de romeinen overgenomen?

kenden ze al:

Van de romeinen overgenomen:

# Achter de werkplaats is de keuken, het domein van de vrouw. Het fornuis staat onder het raam, vanwege licht en ventilatie. De kleine woonkamer heeft puur Romeinse meubelen. Schrijf op welke je ziet:

# Schrijf op welk onderdeel van de meeste van onze huizen overgenomen is van de romeinse pottenbakkerscultuur:

OPDRACHTEN BIJ HET GLADIATORENGEVECHT

[Als je geluk hebt, kun je in de loop van de dag een gladiatorengevecht zien. Maak de opdrachten hieronder alleen als je het gladiatorengevecht kunt bijwonen.]

Gladiatorengevechten waren een populaire vorm van vermaak in de Romeinse samenleving. Gladiatoren waren meestal krijgsgevangenen, veroordeelden, speciaal voor het vak opgeleide slaven of door armoede tot dit beroep gedwongen vrije mensen. In de keizertijd traden ook senatoren, soms vrouwen en zelfs de keizer als gladiator op.

Wie is wie in de Arena?

# Hieronder staan de namen van de mensen die een rol spelen bij een gladiatorengevecht. Omcirkel ze alleen als ze tijdens het gevecht aanwezig waren en jullie ze hebben herkend.

Editor: De editor muneras is de schenker van het gevecht. Hij betaalt de kosten voor het publiek. Vaak is hij een militair gezant of een hoge bestuurder die het Romeins gezag vertegenwoordigt. De editor is daarom vaak gekleed in militair uniform of in de officiële toga praetexta met rode band

Lictor: Indien de editor van zeer hoge afkomst is, heeft hij recht op een lictor. Oorspronkelijk een beul. Deze speciale beambte symboliseert het gezag van Rome en de editor. Hij draagt de fasces. Een bundel stokken met een bijl.

Gardisten: Bij speciale gelegenheden wordt de editor bewaakt door Romeinse soldaten. Zij bewaken ook de orde in de arena.

Augur: De Augur is een priester of priesteres die de voortekenen afleest voor het gevecht mag beginnen.

Lanista: De manager der Gladiatoren.Hij is de presentator van het gevecht.

Charun: Als de andere goden het toestaan, komt de doodsdemon Charun met zijn hamer uit de Hades. Hij deelt aan de verliezende gladiator de genadeklap uit en neemt zijn geest mee naar de onderwereld. Vaak is deze godheid ook een werknemer van de arena die de lijken uit de arena verwijdert en verder verzorgt

Hoe verloopt het gevecht?

# Een gladiatorengevecht verliep volgens plan. Hieronder staan de onderdelen die meestal voorkwamen met een letter ervoor. Omcirkel de letters van de onderdelen die je hebt herkend.

A De pompa:

Het gevecht begon meestal met een plechtige optocht, de pompa, die herinnerde aan de traditionele rouwstoet Natuurlijk was dit ook de gelegenheid voor de fans om de gladiatoren te bekijken en aan te moedigen. Soms maakte degene die het gevecht had bekostigd ook deel uit van de pompa. Een uitstekende kans om het publiek te laten zien welke "big spender" er voor het geld had gezorgd.

B Het aanroepen van de goden en het lezen van de voortekenen:

Voor dat het gevecht kon beginnen moesten altijd enkele godsdienstige plichten vervuld worden. Een priester of priesteres vroeg eerst de goden en geesten om toestemming om het gevecht te houden. Deze augur leest daarom eerst de voortekenen. Vaak keek men naar de vlucht van vogels. Bij deze ceremonie kunnen verscheidene goden en geesten worden aangeroepen.

C Wierookoffers:

Na de goddelijke goedkeuring kon de editor ook nog een geurig wierookoffer brengen, om het gladiatorengevecht symbolisch aan de goden en/of geesten aan te bieden.

D De wapeninspectie:

Na het offer kon de editor de wapens der gladiatoren inspecteren (de zogenaamde probatio armorum)

E De groet van de gladiatoren:

Was alles in orde, dan brachten de gladiatoren de groet: AVE EDITOR, MORITURI TE SALUTANT . Dit betekent: "Gegroet bekostiger van het gevecht, zij die gaan sterven groeten u!" Na de groet namen de gladiatoren hun posities in en kregen van de editor een teken dat ze konden beginnen met vechten.

F De plotselinge dood van een gladiator:

Een gevecht kon eindigen met de dood van een gladiator. Zijn lijk werd dan afgevoerd door de doodsdemon Charun, die hem met zijn hamer de genadeklap gaf. De demon en zijn helpers namen het lijk mee door de poort des doods (porta libitinensis). Zij brachten het naar de lijkenkamer (spoliarium) om de wapenuitrusting te verwijderen. Deze was vaak het eigendom van de editor of de lanista.

G Het duimgebaar:

Het kon ook voorkomen dat de ene gladiator wachtte met de beslissende slag of steek. De bekostiger van de spelen mocht dan bepalen of de gladiator moest sterven. Het publiek schreeuwde "mitte" (= laat gaan!) als ze de gladiator in leven wilden laten. Ze schreeuwden "iugula" (= snijd door!) als ze het leven van de gladiator wilden beëindigen.

Soorten gladiatoren

Romeinen hielden van variatie. Daarom zie je in de arena vele soorten gladiatoren met zeer verschillende bewapening. Eén hoofdregel werd meestal wel gevolgd: de incongruentieregel. Die hield in dat gladiatoren nooit hetzelfde bewapend waren en nooit even zwaar. De Romeinen zagen het liefst een zwaarbewapende maar logge gladiator vechten tegen een lichtbewapende maar snelle. Door iedere gladiator ander voordeel te geven was er voor beide gladiatoren een kans op overleven. Romeinen hielden van een "eerlijke" dood

# Omcirkel het soort gladiator dat je herkent.

Retiarius: Vecht met drietand en net.

Secutor Vecht met rond schild en zwaard en grote (bepluimde) vizierhelm.

Scaeva Vecht linkshandig. Wat voor de andere gladiatoren bijzonder eng is. Links is immers de zijde van het kwaad.

Laquearius Vecht met een lasso en een stok.

Veles Vecht met een lans

Amazone Een vrouwelijke gladiator, vecht bij hoge uitzondering.

SAMENVATTINGSOPDRACHT

De romeinen hebben de germanen veel nieuws gebracht. Maar ook sommige dingen uit onze tijd komen nog uit de tijd van de romeinen. Zet zo veel mogelijk dingen die je hebt gevonden in het onderstaande schema. Zet in de kolom ernaast wat de germanen en wij hebben overgenomen. Gebruik jullie eigen antwoorden van de opdrachten hierboven.

onderdelen:

nieuw voor germanen

overgenomen door ons

herberg

 

 

 

 

 

 

 

 

thermen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

huis

van

de

potten-

bakker

 

 

 

 

 

 

 

 

 

tempel

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

DE MIDDELEEUWEN VÓÓR HET ONTSTAAN VAN STEDEN

HOE LEEFDEN MENSEN NA DE VAL VAN HET WESTROMEINSE RIJK?

Na het ineenstorten van het West-Romeinse Rijk (476 n.Chr.) raakte het westen van Nederland bijna ontvolkt. De rest van Nederland bleef min of meer wel bewoond er ontstond een stelsel van horigen, leenmannen en leenheren. Tussen 630 - 690 werd deze streek ingelijfd door de Franken. De Franken waren zelf christelijk geworden door romeinse missionarissen. De Franken brachten het Christendom naar Nederland en stichtten hier nederzettingen. Steden waren er niet.

Rond het jaar 1000 woonden er in Nederland zo’n 200.000 mensen. De eerste bewoners van het drassige Hollandse veengebied maakten rond 1100 het gebied geschikt voor bewoning en landbouw, dat door beekjes af te dammen en een systeem van sloten en dijken aan te leggen. In het Archeon zijn hutkommen uit deze periode te zien uit het oosten van Nederland (zie de afbeelding hierboven links). Hutkommen zijn bouwwerken die gedeeltelijk zijn ingegraven. Het zijn werkplaatsen die bij een boerderij hoorden.

GA NAAR DE HUTKOMMEN UIT AALTEN, EMMEN EN OMMEN

De hutkom uit Emmen (9e eeuw):

De oudste hutkom heeft een dak van planken met graszoden erop. Deze hut stamt uit de 9e eeuw en werd in Emmen gebruikt als werkplaats van een smid. De hut is 1.40 meter diep ingegraven, de wanden zijn tot een hoogte van 50 centimeter van graszoden gemaakt en de rest van planken.

De hutkom uit Aalten (10e eeuw):

Een van de hutkommen heeft een wand waarin je schuine balken kunt zien zitten (vakwerkconstructie). Het heeft een rieten dak en heeft een vloer van veldkeitjes. Zo’n hutkom heeft in Aalten gestaan en is in de 10e eeuw als weefhut gebruikt. Hij lag op een helling en was ongeveer 40 centimeter diep ingegraven.

De hutkom uit Ommen (11e eeuw):

In Ommen heeft een hutkom gestaan met een dak en een wand van planken. Aan de hand van het gevonden aardewerk wordt verondersteld dat de hut afkomstig is uit 11e eeuw. Hij is 1 meter diep ingegraven, het dak rust op ronde eikenhouten stammen, het onderste deel van de wand is van pure leem (zonder een versteviging van vlechtwerk). Mogelijk werd de hut gebruikt als bakkerij.

# Vergelijk de hutkommen met de huizen die zijn afgebeeld op p. 140, 141 en 145 van je boek. Schrijf op hoe de mensen toen woonden en van welk materialen hun huizen meestal waren.

# De val van het romeinse rijk betekende een enorme achteruitgang. Geef hiervan voorbeelden door het leven te beschrijven rond het jaar 1000. Schrijf op wat er allemaal verdwenen was. Bedenk ook minimaal 3 dingen die van de romeinen werden overgenomen.

DE MIDDELEEUWEN NÁ HET ONTSTAAN VAN STEDEN

WELKE AMBACHTEN ONTWIKKELDEN ZICH IN DE STEDEN?

Van 1000 tot 1300 groeide de bevolking van Nederland van 200.000 tot 600.000. De mensen die op het platteland geen werk meer hadden trokken naar de nederzettingen, welke uitgroeiden tot dorpen en steden. In die steden leefden mensen niet van de landbouw, maar van handel en ambachten. Over die ambachten gaan jullie opdrachten grotendeels.

# Beschrijf op de volgende bladzijden de ambachten die je in de verschillende huizen tegenkomt.

# Ga na hoe rijk de mensen zijn. Let daarvoor vooral op het huis dat ze bewonen. Hoe groter het huis, des te rijker de inwoners. Let ook op het materiaal en het aantal verdiepingen. Huizen werden gedeeltelijk van hout en gedeeltelijk van baksteen gemaakt. Hoe meer steen gebruikt werd, hoe duurder het huis.

HET HUIS VAN DE HOUT- EN BEENBEWERKER

Zo’n huis heeft in Delft gestaan en was in het begin van de 13e eeuw gebouwd.

Beschrijf de kennis of technieken die hij toepast:

Is hij rijk of arm vergeleken met de andere inwoners?

.

Dingen waaraan je rijkdom of armoede kunt zien:

HET HUIS VAN DE KUIPER

Zo’n huis heeft in Antwerpen gestaan. Het kwam uit de 11e eeuw.

Beschrijf de kennis of technieken die hij toepast:

Is hij rijk of arm vergeleken met de andere inwoners?

.

Dingen waaraan je rijkdom of armoede kunt zien:

HET POTTENKOOPMANSHUIS

Dit huis heeft rond 1350 in de Voorstraat in Utrecht gestaan. Het oorspronkelijk huis is inmiddels vele keren verbouwd, maar nog steeds in gebruik als woonhuis. De pottenkoopman importeert zijn aardewerk uit het Duitse Rijngebied.

Beschrijf de kennis of technieken die hij toepast:

Is hij rijk of arm vergeleken met de andere inwoners?

.

Dingen waaraan je rijkdom of armoede kunt zien:

HET HUIS VAN DE BARBIER/CHIRURGIJN

Beschrijf de kennis of technieken die hij toepast:

Is hij rijk of arm vergeleken met de andere inwoners?

Dingen waaraan je rijkdom of armoede kunt zien:

HET HUIS VAN DE SCHOENMAKER

Beschrijf de kennis of technieken die hij/zij toepast:

Is hij rijk of arm vergeleken met de andere inwoners?

.

Dingen waaraan je rijkdom of armoede kunt zien:

HET HUIS VAN DE SCHRIJNWERKER

De kisten (schrijnen) die de schrijnwerker maakt, zijn tijdens de middeleeuwen de belangrijkste meubelstukken

Beschrijf de kennis of technieken die hij toepast:

Is hij rijk of arm vergeleken met de andere inwoners?

.

Dingen waaraan je rijkdom of armoede kunt zien:

HET HUIS VAN DE HERDER/IMKER

Zo’n huis heeft in Delft gestaan en was in het begin van de 13e eeuw gebouwd

Beschrijf de kennis of technieken die hij toepast:

Is hij rijk of arm vergeleken met de andere inwoners?

.

Waaraan kun je rijkdom of armoede zien?

Het Franciscaner klooster

(Dordrecht, Voorstraat, Ca 1300). De monniken die in het Klooster woonden waren van de orde der Franciscanen. Deze orde is in de 13de eeuw ontstaan vanuit de Broedergemeenschap die zich rond Franciscus van Assisi gevormd had. Het streven van Franciscus was: leven in armoede, in navolging van Christus. Hij vereenzelvigde zich met de zwakken in de maatschappij, de mindere broeders. Daarom gaf hij zijn orde ook de naam: 'Ordo Fratrum Minorum', orde van de mindere broeders oftewel minderbroeders. De Franciscaner orde is een zogenaamde bedelorde: de Monniken hebben geen landerijen of andere bezittingen om in hun eigen onderhoud te voorzien. Ze moeten leven van wat zij aangeboden krijgen. De bedelorden kozen daarom de steden als vestigingsplaats: daar woonden veel mensen bij elkaar en konden ze in hun levensbehoeften voorzien door te bedelen, onderwijs te geven, zieken te verzorgen en te prediken. In het Klooster konden reizigers onderdak vinden. Bovendien verhuurden de monniken ruimten, bijvoorbeeld de zalen op de eerste verdieping en de Refter (eetzaal) op de begane grond, aan de stad of particulieren. Nu worden de refter en de zalen van het klooster gebruikt als restaurant, waar de bezoeker Middeleeuws kan eten en drinken. Bij het Klooster is een kruidentuin aangelegd op de voor de Middeleeuwen kenmerkende manier: in de vorm van een kruis met in het midden een waterput. De kruiden werden door de broeders gebruikt in de keuken of voor het bereiden van geneesmiddelen. In het archeon kun je in de kloosterkeuken zien hoe in de Middeleeuwen maaltijden gekookt en bier gebrouwen werd.

# Een klooster was in de middeleeuwen een plek waar veel van de romeinse cultuur werd doorgegeven. Noem minimaal drie dingen waaraan je kunt zien dat dit klopt.

# Schrijf een aantal middeleeuwse gerechten op en geef enkele overeenkomsten aan tussen de romeinse en middeleeuwse keuken.